Broeder Wulfstan bekeek de oogkieur van zijn patiënt en proefde diens zweet. Het medicijn had de man alleen maar verzwakt. De ziekenbroeder vreesde voor zijn leven. Trillend van teleurstelling ging hij aan zijn werktafel zitten en dacht over het probleem na.
De peigrim was bleek en met holle wangen bij het klooster van Saint Mary aangekomen. Hij was uit de dienst van de Zwarte Prins ontslagen vanwege zijn wonden en een aanval van vlektyfus, en had besloten een peigrimstocht naar York te maken; beter dan door welke preek ook was hij door zijn huidige wonden zijn sterfeljkheid gaan beseffen. Hij had een ruwe oversteek over het Kanaal en een lange rit naar het noorden doorstaan, waarbij zijn wonden waren gaan bloeden. Wulfstan had dat met maagdenpalm kunnen stelpen, maar was op deze nieuwe koortsaanval niet voorbereid. Met soldatenziektes had hij weinig ervaring, want al sinds zijn kin derjaren woonde hij in de vredige beschutting van het klooster. Zelden waagde hij zich verder van de abdij dan de munsterkerk van York of de apotheek van Nicholas Wilton - in beide gevallen een korte wandeling.
Al twee dagen en nachten mengde Wulfstan nu medicijnen, bracht pleisters aan en bad. Eindelijk dacht hij uitgeput en wanhopig aan Nicholas Wilton. Dat Wulfstan niet eerder aan de apotheker dacht, bewees zijn staat van opwinding; Nicholas had een gast van de aartsbisschop, die bijna aan vlektyfus was bezweken, op wonderbaarlijke wijze genezen. Natuurlijk wist hij wat nodig was. Wulfstan fluisterde dankbaar drie weesgegroetjes en voelde zich direct veel beter. God had hem de weg gewezen.
De ziekenbroeder droeg zijn novice Henry op de lippen van de pel grim vochtig te houden en muntthee voor hem te maken als hij wakker werd en er kleine slokjes van kon drinken. Daarna liep hij haastig het klooster door om de abt verlof voor een bezoek aan de stad te vragen. Hij veegde poeder en stukjes gedroogde kruiden van zijn habijt. Abt Campian was een veeleisend man die meende dat een proper uiterlijk een propere geest verried. De abt kon natuurlijk nauwelijks bezwaar hebben tegen zijn taak, maar Wulfstan hield evenveel van regels als de abt van properheid, Als Wulfstan gehoorzaamde en zijn best deed, verwierf hij zich - geloofde hij - zonder twijfel een plaatsje in het hemelse koor, hoe nederig ook, en rustte hij tot in de eeuwen der eeuwen vreedzaam in de armen van de Heer. Hij kon zich geen betere toekomst voorstellen. Regels wezen hem de weg naar het eeuwige geluk.
Met toestemming van zijn abt liep hij naar buiten. Het was een mid dag in december en, bah, het sneeuwde. De hele maand november en december had hij op de eerste sneeuw gewacht, en die kwam uitgerekend nu hij een dringende boodschap had. Een bijgelovige boer zou gedacht hebben dat dit zijn ongeluksdag was, maar Wulfstan putte kracht uit de overtuiging dat God - die hem zijn leven lang door alle kleine problemen had geloodst - nooit van plan kon zijn hem zo laat nog in de steek te laten.
De ziekenbroeder trok zijn kap omhoog en liep zo snel als hij kon oogknipperend en hijgend tegen de wind in de abdijpoort door, waarna hij de lawaaierige, geplaveide straten van York bereikte. De kakofonie van de stad wekte hem uit zijn intense haast. Hij voelde een steek in zijn zij. Zijn hart bonsde. Zulke tekenen van zwakte joegen hem angst aan. Hij leek wel gek. Hij was te oud om zo hard te lopen, zeker over straatkeien die glibberig waren van de eerste sneeuw. Met zijn hand op zijn zij liet hij op een kruising een kar passeren. Het sneeuwde inmiddels heel dicht en de grote, pluizige vlokken smolten prikkelend op zijn blozende wangen. Eerst te veel hitte, en dan de kou in. Je bent een idioot, Wulfstan. Hij liep de Davygate in en probeerde zijn tempo te matigen. Maar de winkel van Wilton lag net voorbij de volgende kruising. Hij was zo dichtbij zijn doel. Bang voor het verlies van zijn patiënt, begon hij opnieuw harder te lopen.
Wulfstan was in korte tijd erg op de pelgrim gesteld geraakt. Het was een vriendelijke ridder met een zachte stem, die over zichzelf alleen verteld had dat hij als pelgrim wilde bidden, mediteren en vrede sluiten met God. Hij droeg een oud verdriet met zich mee: de liefde voor een vrouw die iemand anders toebehoorde. Hij be schreef haar als de mooiste, liefste vrouw van de wereld, wier vage vuur op aarde bestond uit haar huwelijk met een oude man die haar geen vreugde schonk. 'Wat zou ze denken als ze me nu zag, hè, beste vriend?' Dan werden zijn ogen weer troebel. 'Maar ze is weg.' Elke dag kwam de pelgrim naar de ziekenzaal om door Wulfstan zijn verbanden te laten verwisselen. Tijdens die bezoeken had hij de kruidentuin ontdekt, waarvan de schoonheid hem zelfs in de winter het hart verkwikte. 'Zij vond troost in een tuin die veel op deze leek.' De pelgrim bleef daar vaak zitten, terwijl Wulfstan in de tuinbedden bezig was. Gehoorzaam aan de kloosterregel die praten alleen in noodgeval toestond, zei hij weinig, maar uit consideratie met Wuifstans oude botten was hij altijd bereid iets te helpen dragen of pakken. Wulfstan genoot van 's mans kalme aanwezigheid en was dankbaar voor zijn hulp, hoewel hij wist dat aanvaarding ervan een zondige weelde was.
Toen de pelgrim in de kapel instortte, kwam de klap dus hard aan. Ter ere van zijn geliefde had hij die nacht een wake gehouden. Bij de lauden vond broeder Sebestian hem bezwijmd op de koude stenen vloer liggen. Hij was God dank verschuldigd voor het nachtelijke officie; anders was de pelgrim daar misschien tot de dageraad blijven liggen en had een dodelijke kou gevat.
Niettemin was hij wel degelijk erg ziek. Wulfstan had haast. Toen de oude monnik de deur van Wiltons winkel openduwde, hij gde hij en omklemde diep gebogen zijn zij. Door het halfduister in de winkel en zijn eigen zwakte kon hij aanvankelijk niet eens zien of er iemand was. 'Gods vrede zij met u,' zei hij hijgend. Niemand antwoordde. 'Nicholas? Lucie?'
Het kralengordijn in de keukendeur ratelde toen iemand erdoorheen liep. 'Broeder Wulfstan!' Lucie Wilton tilde het scharnierende deel van de toonbank open pakte Wulfstans hand. 'U ziet er vreselijk uit.' Ze rook naar de buitenlucht. 'En uw handen zijn ijskoud.'
Hij ging voorzichtig rechtop staan. 'Je bent in de tuin geweest.' Hij was verrast over zijn kortademigheid en onvaste stem. Hij had meer van zichzelf gevergd dan hij gedacht had.
'We wilden stro op de rozen leggen voordat het ging sneeuwen.' Lucie hield een spirituslamp bij zijn gezicht, en hij moest ervan met zijn ogen knipperen. 'Ga mee naar achteren. In de keuken is een vuur. Uw wangen staan in brand. Uw hart begeeft het nog als u zo hard loopt.'
Wulfstan volgde haar achter de toonbank langs naar de keuken, waar hij haar aanbod van een bank naast het vuur met nederige dankbaarheid aanvaardde. Zijn hoge leeftijd en ademgebrek weerhielden hem van de beleefde gewoonte om tegen vriendelijkheid te protesteren. In de vrolijke keuken glimlachte hij mevrouw Wilton toe, die met haar schoonheid, vriendelijkheid en hoffelijkheid zijn hart verkwikte. Aan het hof zou ze de trots van haar vader geweest zijn, wist hij. Sir Robert was een oude dwaas.
Ze gaf hem een kom warme wijn. 'En wat komt u hier ondanks de sneeuw doen? En nog wel zo haastig?'
Hij vertelde haar het doel van zijn tocht.
'Vlektyfus. Verpleegt u een soldaat?'
'Geen soldaat meer. Met zijn grijze baard en droeve ogen is die tijd voorbij, denk ik.' Wulfstan maakte zijn blik van haar vriendelijke, bezorgde ogen los en keek naar de deur die naar de tuin leidde. 'Ik vind het vreselijk om Nicholas bij zijn rozen weg te halen. Ken jij het juiste mengsel misschien?'
'Nicholas heeft me nog niet ingewijd.'
'Ik wil niet graag storen, maar die man is heel ziek.'
Lucie klopte hem op de schouder. 'Blijf hier maar rustig zitten. Ik haal mijn man even.'
Lucie was bij haar man in de leer, en dat was geen ongewone situatie. Vrouwen leerden vaak het ambacht van hun man door met hem samen te werken. Maar Nicholas had Lucies leerlingschap formeel vastgelegd om haar toekomst te verzekeren. Hij was zestien jaar ouder dan zij, had een zwakke gezondheid en maakte zich zorgen over haar levensonderhoud als hij er niet meer was.
Iemand anders had misschien naar haar mooie gezicht gekeken en zou gedacht hebben dat ze wel weer hertrouwde. En in Lucies geval betekende een nieuw huwelijk misschien wel vooruitgang en kwam ze weer dichter bij haar eigenlijke stand terecht. Want Lucie was de dochter van sir Robert d'Arby van Freythorpe Hadden. Misschien had ze wel met een lagere edelman kunnen trouwen. Als Lucies moeder niet gestorven was toen zijzelf nog heel jong was, was dat ook bijna zeker gebeurd. Maar na de dood van zijn knappe Amelie had sir Robert elke belangstelling voor het levenslot van zijn enige kind verloren. Hij had haar naar een klooster gestuurd, en daar had Nicholas haar ontdekt. Hij zwoer haar te bevrijden en haar een leven te geven dat beter bij haar karakter paste. Vanwege wat Nicholas Wilton voor Lucie had gedaan, mocht Wulfstan hem graag. Op lange termijn was een apotheek een betere erfenis dan de schikking die ze misschien als weduwe van een edelman kreeg, en ze werd er onafhankelijk door.
Nicholas kwam binnen, veegde zijn handen af en schudde zijn hoofd. 'De sneeuw is dit jaar lang uitgebleven, maar haalt zijn schade nu dubbel en dwars in!' Zijn smalle gezicht was rood van de kou en zijn bleekblauwe ogen schitterden. Hij hield hartstochteljk veel van zijn kruidentuin.
'Ben je klaar met de rozen?' vroeg Wulfstan. Het tuinieren schiep een band tussen hen. En de kennis van geneeskrachtige planten.
'Bijna.' Nicholas ging met de zucht van een prettig vermoeide man zitten. 'Lucie vertelde dat u een pelgrim met vlektyfus hebt.'
'Inderdaad. Het gaat slecht met hem, Nicholas. Hij is heel zwak en huivert.'
'Wanneer heeft hij zijn laatste aanval gehad?'
'Vijf maanden geleden.'
Nieuwe vragen volgden, en de apotheker fronste zijn wenkbrau wen en knikte. 'Was hij bij zijn aankomst helder van geest?'
'Beslist. Terwijl ik zijn wonden verzorgde, vroeg hij soms naar de mensen van York. Hij heeft ooit bij een veldtocht in Frankrijk naast sir Robert gevochten.'
Daarbij keek Lucie met een staalharde blik op. Ze had weinig genegenheid voor haar vader.
'En hij zei ook nog iets raars,' zei Wulfstan. 'Het was een hele schok voor hem toen ik zei dat jij je vader als meester had opgevolgd, Nicholas. Hij hield vol dat je dood was.'
'Dood?' fluisterde Nicholas.
Lucie sloeg een kruis.
Later drong tot Wulfstan door dat Nicholas' gedrag vanaf dat moment veranderde. Hij begon vragen te stellen die - naar Wulfstans mening - weinig met een diagnose te maken hadden: de naam van de soldaat, zijn uiterlijk, zijn leeftijd, het doel van zijn komst naar het klooster, of hij wel eens bezoek kreeg.
Wulfstan kon hem nauwelijks inlichten. De pelgrim had anoniem willen blijven; over zijn thuis en familie had hij niets gezegd; hij had grijs haar, was lang en gedroeg zich ondanks zijn ziekte als een sol daat. Hij kreeg geen bezoek, hoewel hij de bewoners van Frey thorpe Hadden kende. En kennelijk kende hij Nicholas. 'Maar dat is toch allemaal onbelangrijk?' De apotheker verspilde kostbare tijd.
Lucie legde haar hand op de arm van haar man, die opsprong alsof hij zich aan haar aanraking brandde. 'Broeder Wulfstan moet snel weer naar zijn patiënt,' zei ze met een bezorgde blik op haar man. Nicholas stond op en begon te ijsberen. Na een onbehaaglijke stilte, waarin Wulfstan al begon te vrezen dat Nicholas geen goed medicijn kon bedenken, draaide de apotheker zich met een eigenaardige zucht om. 'Mijn gewone mengsel zal niet voldoende zijn. Ga weer naar uw patiënt, broeder Wulfstan. Ik breng het medicijn voordat de dag om is.' Hij keek afwezig en vermeed Wulfstans blik. Wulfstan was teleurgesteld. Nog meer uitstel. 'Is het dan geen sim pel geval? Zorgt de wond voor complicaties?'
'Vlektyfus is nooit simpel.'
Wulfstan sloeg een kruis.
Lucie legde een troostende hand op zijn schouder. 'Is het heel ern stig, Nicholas?'
'Dat weet ik nog niet,' beet hij haar toe. Toen beheerste hij zich, boog zich voorover en kuste haar zacht op het voorhoofd. 'Je hoeft hier niet te blijven, Lucie.' Zijn stem liefkoosde haar. 'En maak je ook geen zorgen. Als je opschiet, kun je het laatste bed rozen nog afmaken.'
'Ik wil je eigenlijk graag het mengsel zien klaarmaken. Dan leer ik er iets van.'
Nicholas pakte haar hand. 'Ik neem het daarna met je door, lieve. Maar de sneeuw wacht niet.' Hij keek liefhebbend, vriendelijk, bijna melancholiek.
Zonder verdere discussie deed Lucie haar mantel aan en liep de tuindeur uit.
Wulfstan zuchtte.
'Ze is onbetaalbaar,' zei Nicholas.
'Jullie beider geluk is een zegen,' zei Wulfstan instemmend.
Nicholas keek naar de vloer en zei niets. Wulfstan had de indruk dat zijn vriend zijn blik vermeed. Misschien ging het toch niet zo goed tussen hen tweeën. 'Je maakt dus iets bijzonders klaar?'
Nicholas sloeg zijn handen tegen elkaar en was weer een en al aandacht. 'En u moet weer gauw naar uw patiënt en hem volstoppen met munt om veel zweet op te wekken.'
'Henry heeft genoeg instructies,' wierp Wulfstan tegen, maar bij het zien van Nicholas' vreemde humeur nam hij afscheid.
En de terugweg was inderdaad bitter koud. Nicholas had gelijk. De eerste sneeuw maakte zijn trage komst ruimschoots goed.
Bij zonsondergang zat Wulfstan bij het ziekbed van de pelgrim te knikkebollen, maar werd wakker toen iemand hem op de schouder klopte, Nicholas Wilton was eindelijk gekomen. Maar met de apotheker was iets niet in orde. Wulfstan wreef in zijn ogen en keek hem aandachtig aan. De ogen in Nicholas' bleke gezicht waren te groot, alsof hij zwaar geschokt was.
'Je ziet er slecht uit, Nicholas. Je had iemand anders met het medicijn moeten sturen.'
De patiënt kreunde. Hij knipperde met zijn oogleden.
Nicholas trok Wulfstan opzij. 'Hij is er slechter aan toe dan ik verwachtte,' fluisterde hij. Ah, dacht Wulfstan, dât verklaart waarom de apotheker zo kijkt. 'Geef het hem meteen,' zei Nicholas. 'Schiet op. Eën drachme in kokend water. Ik blijf wel bij hem zitten.'
Wulfstan liep haastig naar het vuur.
De pelgrim werd kennelijk wakker, want Wulfstan hoorde hem schreeuwen, waarna Nicholas iets kalmerends mompelde. De zieke schreeuwde opnieuw. Dat verbaasde Wulfstan niet. De vrien elijke ridder had brandende koorts. Een delirium viel te verwachten.
Ongeduldig controleerde hij de temperatuur van het water. Het kookte nog niet. De pelgrim snikte. Eindelijk kookte het water. Wulfstan woog zorgvuldig een drachme af, zei een gebed, roerde goed en haastte zich naar het ziekbed.
Tot zijn verrassing was Nicholas weg. Hij had de pelgrim alleen gelaten. 'Wat raar om zonder één woord te verdwijnen,' mopperde Wulfstan.
'Moordenaar,' siste de peigrim. 'Gifmenger.' Zijn gezicht was rood en glibberig van het zweet.
'Kalmeer, beste vriend,' zei Wulfstan. 'Opwinding is slecht voor je.' De pelgrim ademde gekweld en woelde met wilde ogen heen en weer in het bed.
Wulfstan fluisterde geruststellende woorden maar had veel moeite om hem te kalmeren. 'Koortsvisioenen, beste vriend. Beproevingen van Lucifer omje wil te breken. Besteed er geen aandacht aan.' Eindelijk verhelderde zijn blik. 'Hij was dus een nachtmerrie?'
'Natuurlijk. Hier zijn geen moordenaars.' Dat was maar al te waar. Wulfstan hield de beker tegen de bleke lippen van de man. 'Drink dit op. Je hebt rust nodig. Een hele nde slaap.'
De waterige, bange blik hechtte zich aan de kom en rustte daarna weer op Wulfstan. 'Hebt u het klaargemaakt?'
'Eigenhandig, beste vriend. Drink het maar op.'
Dat deed hij. 'Dan is hij dus dood. Ik heb hem gedood,' fluisterde hij. Die vreselijke gedachte leek hem te kalmeren. Algauw viel de pelgrim warm en doezelig in slaap. Maar vlak na de completen begon hij te kreunen, werd zwetend wakker en klaagde over pijn in zijn armen en benen. Misschien had Wulfstan zijn ziekte ten onrechte vlektyfus genoemd, maar zijn vriend had deze symptomen nooit eerder vertoond. Wulfstan probeerde de pijn in zijn ledematen met in ruwe iep gedrenkte doeken te bedaren, maar dat hielp niet.
Hij liet Henry komen. Samen maakten ze kompressen klaar en wikkelden die om de ledematen van de pelgrim. Niets hielp. Wulfstan was ten einde raad. Hij had gedaan wat hij kon. Niemand kon kritiek op zijn inspanningen hebben. God wist hoe diep hij met de pelgrim meeleefde. Hij overwoog meester Saurian te laten komen, de arts die de monni ken verzorgde als ze ziek werden, maar toen de pelgrim ziek werd, hadden ze niet veel aan hem gehad. Nu was het al laat, en Wulfstan was bang dat Saurian alleen maar zou zeggen dat Gods wil geschiedde. Natuurlijk geschiedde Gods wil. Wulfstan hoefde Saurian niet midden in de nacht uit zijn bed te halen om dat te horen te krijgen. Maar Gods wil was een mens niet altijd duidelijk.
De pelgrim begon zwoegend en hijgend adem te halen. Henry haalde kussens om het hoofd van de zieke hoger te leggen en hem te helpen ademen.
Het was een lange nacht. De wind vond elke kier in de ziekenzaal en kreunde aan de deur. De haard rookte waardoor Wulfstans toch al tranende ogen begonnen te branden. Toen hij zich op zeker moment over de pelgrim boog om zijn wenkbrauw droog te vegen, pakte de man zijn habijt, trok hem dicht naar zich toe en fluisterde: 'Hij heeft me vergiftigd. Ik heb hem niet gedood. Ik heb haar niet gewroken.' Toen viel hij in zwijm op de strozak.
'De koorts brandt in je, beste vriend,' zei Wulfstan hardop, voor het geval de pelgrim hem kon horen en zich liet geruststellen. 'Zonder het medicijn was je er slechter aan toe geweest.' De man bewoog zich niet.
Wat afschuwelijk dat de pelgrîm de man die hem was komen redden, voor een moordenaar aanzag. Een moordenaar die de pelgrim gedood meende te hebben. Had hij daarom zo zeker geweten dat Nicholas Wilton dood was? Lieve Moeder Gods en alle heiligen, geen wonder dat Nicholas schrok. Maar tijdens zijn wake bij de lijdende pelgrim begon Wulfstan ervan overtuigd te raken dat het allemaal koortsdromen waren. Hij kon zich niet voorstellen dat die zachtaardige pelgrim ooit Nicholas Wilton had aangevallen.
Wuilstan keek het rokerige donker in. Naarmate de bezwijming van de pelgrim langer voortduurde, werd hij steeds moedelozer. De man haalde oppervlakkig adem, maar hijgde af en toe luidruchtig alsof hij niet genoeg lucht naar binnen kreeg. Wulfstan legde zijn hoofd nog hoger en bad. Henry kwam terug van de lauden en knielde naast hem neer.
Maar ondanks al hun zorgen hield de oppervlakkige ademhaling van de pelgrim bij de dageraad op.
Wulfstan trok zich diepbedroefd in de kapel terug en bad voor de zielerust van zijn vriend.
Henry trof Wulfstan al knikkebollend in gebed. Potter Digby, de officiaal van aartsdîaken Anselm, wilde hem spreken.
Wulfstan kon zich niet voorstellen wat Digby van hem wilde. Een officiaal had de vreselijke plicht om geruchten te onderzoeken over zondaars die de wetten van het bisdom overtraden. Als ze schuldig werden geacht, daagde hij hen voor het aartsbisschoppeljk gerechtshof om beboet te worden. Van die boetes kreeg de officiaal een deel. Om die reden was Digby bij de stadsbewoners niet geliefd. Ze wisten dat hij op de loer lag om hen op echtbreuk te betrappen, want het huwelijk was een sacrament en ontrouw zijn winstgevendste aanklacht. Volgens velen was het de onheilige ijver van de officiaal die de metselaars en glazeniers nog steeds werk gaf aan de kathedraal. Wulfstan vond het jammer dat de mooie munsterkerk verband hield met zoveel inhaligheid. Eigenlijk had hij aan Potter Digby een zondige maar hartgrondige hekel. Achter Henry naar het klooster lopend vroeg hij zich af wat voor onaangenaams de man voor hem in petto had.
Maar Potter Digby's komst bleek persoonlijk. De avond tevoren had hij Nicholas Wilton in zwijm bij de abdijpoort gevonden, en had een passerende kar aangehouden om hem naar huis te brengen. Wilton was er zo erg aan toe dat hij niet eens zijn eigen vrouw herkende. Digby dacht dat mevrouw Wilton Wulfstans aanwezigheid op prijs zou stellen.
'Nicholas? Wat eigenaardig.' Wulfstan dacht weer aan diens abrupte vertrek. 'Gisteravond gedroeg hij zich vreemd. Maar u moet me excuseren. Ik ben de hele nacht op geweest. Ik heb een patiënt en een vriend verloren. Ik kan niet komen. Ik kan niets voor hen doen.'
'Met Wilton gaat het slecht en zijn vrouw is bang.' Digby haalde zijn schouders op. 'Maar misschien dat meester Saurian...'
'Saurian? Aan hem heeft mevrouw Wilton niets.' Wulfstan aarzelde. Hij trilde van vermoeidheid en had al heel lang niets gegeten, maar kon de zachtaardige Lucie niet overlaten aan de kille meester Saurian.
'Wie stelt u dan voor, broeder Wulfstan?'
De ziekenbroeder haalde zijn schouders op. 'Ik zal mijn abt verlof vragen.'
Opnieuw trotseerde Wulfstan de sneeuw. Zijn oude botten waren door en door koud en deden pijn, maar dat gaf niet. Op een moment als dit kon hij Lucie Wilton niet in de steek laten.
Hij had zich geen zorgen hoeven maken. Bess Merchet, waardin van de York-taveerne om de hoek bij Wiltons apotheek, begroette hem bij de keukendeur. Wulfstan was blij haar royale gestalte in de deuropening te zien staan. Haar adem rook naar brandewijn, maar ze was een verstandige, bekwame vrouw en goed met Lucie bevriend.
'Ze zal maar al te blij zijn dat ze u ziet, broeder Wulfstan.' Bess bracht hem haastig naar binnen en gaf hem een kom met iets warms. 'Drink dat op en blijf even rustig zitten. Ik ga kijken hoe het boven gaat.' Ze verdween de trap op.
Wulfstan rook even aan het mengsel van brandewijn en kruiden en stelde vast dat dat precies was wat hij nodig had. Algauw kwam zijn hart weer op zijn oude plaats tot rust en nam de pijn om het verlies af.
Boven was één blik op Nicholas genoeg om te zien dat Wulfstan misschien snel ook het verlies van een andere vriend te betreuren kreeg. 'Genadige Moeder, wat is er met je gebeurd?' Wulfstan knielde naast het bed. Hij pakte Nicholas' handen, die slap op het beddegoed lagen, en probeerde ze warm te wrijven. Nicholas staarde voor zich uit. Hij bewoog zijn lippen maar kon niets uitbrengen.
'Zo ligt hij al de hele nacht.' Lucie zat aan de andere kant van het bed en depte de tranen van haar man droog. De wallen onder haar ogen vermeden een even verschrikkelijke nacht als die van Wulfstan. 'Hij vertrok gisteren zoals u hem gezien hebt: helder van geest en ondanks de kou gezond genoeg om in de tuin te werken. Toen hij terugkwam, kon hij niet lopen of praten en werd hij door iets ontzettends gekweld. Ik kom er niet achter waardoor en kan hem dus ook niet opbeuren.' Ze beet op haar lip. Dit was geen moment voor tranen.
Wulfstans hart stroomde over van medelijden met haar. Hij kende zijn eigen verdriet over de pelgrim. Hoeveel groter moest, bij de aanblik van haar echtgenoot, het hare wel niet zijn! Hij moest een manier vinden om haar te helpen. Hij legde Nicholas' handen onder het beddegoed en nam Lucie apart. 'Vertel me alles wat je weet.'
Dat was niet veel, behalve dat Digby Nicholas naar binnen had geholpen, want zijn rechterbeen leek het onder hem te begeven. Ook zijn rechterarm leek onbruikbaar. En de enige geluiden die hij maakte, kwamen van onder uit zijn keel. Ze klemde haar handen dicht en zocht wanhopig geruststelling.
Die had Wulfstan nauwelijks te bieden. 'Zo te horen is hij verlamd. Of dat tijdelijk is of niet, zal pas over een tijdje blijken. Dat ligt in Gods handen. Als ik alleen maar wist wat de oorzaak is.' Hij moest aan Nicholas' gedrag denken toen deze hem uithoorde over de pel grim, en later, toen Nicholas de toestand van de pelgrim met eigen ogen had gezien. 'Toen hij wegging uit de ziekenzaal, leek hij geagi teerd. Misschien is hij in het donker gevallen. Een klap op het hoofd kan zo'n verlamming veroorzaken. Of op de ruggegraat. Een heel zware schok.'
'Een schok.' Lucie wierp een blik op Nicholas en boog haar hoofd toen de andere kant op zodat alleen Wulfstan haar kon horen. 'Kan het iets met de pelgrim te maken hebben?' vroeg ze zacht en ge spannen.
Wulfstan moest aan de beschuldigingen van de stervende man den ken. Maar hij had geen bewijs. En nu de man dood was, zag hij geen reden om Lucie bang te maken. 'Nicholas maakte zich zorgen over het uiterlijk van mijn patiënt, dat wel. Hij had de man niet zo ziek verwacht, zei hij. Maar als schok is dat niet zwaar genoeg.' Hij keek naar Lucies gebogen hoofd. 'Wat is er, mijn kind? Waarvoor ben je bang?'
'Vanochtend kwam aartsdiaken Anselm op bezoek.'
'Anselm? Op bezoek?'
'Ze hebben elkaar in geen jaren gesproken. Al niet sinds we getrouwd zijn. Het is heel vreemd dat hij vandaag langskwam. Hij stond al heel vroeg aan de deur, nog voor de eerste klanten. Hij had al gehoord dat Nicholas ziek was geworden. Hij toonde zich bezorgd, en iedereen zou denken dat hij een meelevende vriend was. En dat na zoveel jaar. Toen onze Martin stierf, kwam hij niet.' Hun enige kind. Aan de pest bezweken nog voordat hij kon lopen.
Iets in dit alles vond Wulfstan verontrustend. Want gisternacht had de aartsdiaken ook hem bezocht. Op dat moment had hij er weinig aandacht aan besteed. De aartsdiaken kwam de avondmaaltijd met abt Campian gebruiken, maar eerst was hij naar de ziekenzaal gekomen uit nieuwsgierigheid of daar iets veranderd was sinds hij daar zijn laatste aderlating had gekregen. Anselm was in Saint Mary naar school gegaan. Zijn bezoek van gisteravond was heel prettig verlopen. Hij had naar broeder Wulfstans gezondheid gevraagd en Henry verteld hoe bang hij vroeger van hem was, want Wulfstan had in zijn jeugd een brede borst gehad. Anselm had ook naar de pelgrim, hun enige patiënt, gevraagd. Dat leek gewone beleefdheid.
Wulfstan liet Lucie op een kist bij het raam zitten. 'Vertel eens over dat bezoek van de aartsdiaken.'
'Hij had gehoord dat Nicholas ziek was. Hij vroeg of het ernstig was. Ik zei dat ik dat niet wist en dat ik hem niet meer kon vertellen dan zijn officiaal al had gedaan. Alles was nog steeds hetzelfde. Hij leek verbaasd en vroeg waarom ik dacht dat zijn officiaal hem iets gezegd had. Ik vertelde dat Digby Nicholas had gevonden. Dat stond hem niets aan. "De ziekenzaal van de abdij? Wat was Nicholas daar aan het doen?" Hij zei het alsof hij het over het kamp van de vijand had en alsof Digby had moeten weten dat dat verboden terrein was.'
'Mijn ziekenzaal?' Wulfstan was onaangenaam verrast.
'Ik schrok van zijn vragen. Ik vertelde dat Nicholas een medicijn naar een patiënt had gebracht. "Die soldaat?" vroeg hij. Ik zei ja, de man die zich pelgrim noemde. Het gezicht van de aartsdiaken werd nog bleker dan anders. Hij legde een hand op de toonbank om steun te zoeken. Ik vroeg hem wat hij dacht. Hij vroeg wat er in de abdij was gebeurd. Dat wist ik natuurlijk niet. Ik had de indruk dat hij meer wist dan ik, en ik vroeg hem wie die pelgrim was. Ik ben ervan overtuigd dat hij dat weet. Hij knipperde met zijn ogen en keek de andere kant op. "Ik heb die pelgrim niet gezien, mevrouw Wilton," zei hij. Dat was het soort halve waarheden die de nonnen ons altijd vertelden om ons tegen de wereld te beschermen. Ik vroeg door. Hij ging rechtop staan en zei dat hij zou terugkomen. "Wie is hij?" vroeg ik. "Ik kom terug," herhaalde hij,en liep haastig naar buiten.'
Lucie keek met gespannen kaken uit het raam. 'Die vervloekte priester. Hij weet wie die man is. Waarom wil hij het mij niet zeggen? Volgens mij heeft alles met die soldaat te maken.' Ze keek Wulfstan boos aan. 'Wie is die pelgrim, Wulfstan?'
'Mijn lieve Lucie, God is mijn getuige dat ik dat niet weet.'
'Ik wil met hem praten.'
Wulfstan schudde zijn hoofd. 'Hij is dood.'
Ze keek geschokt. 'Dood? Wanneer?'
'Vannacht. Wie hij ook was, hij kan ons niet meer helpen.'
Lucie sloeg een kruis. Kwaad spreken over pas overleden mensen bracht ongeluk. 'Moge hij rusten in vrede.'
Met neergeslagen ogen die brandden van tranen, fluisterde Wulfstan amen. Hij was zo moe dat hij zich niet meer in de hand had.
Lucie zag hoe hij eraan toe was en pakte zijn hand. 'Wat vreselijk dat uw patiënt gestorven is.'
'Meer dan een patiënt. Hij was een vriend.' Wulfstans stem werd onvast. Hij veegde zijn ogen af en haalde diep adem. 'Vergeef me. Ik ben bang dat je niets aan me hebt.'
Zachtjes gaf ze een kus op zijn voorhoofd. Het was niet meer dan een aanraking van haar lippen, maar tegelijk zo'n hartelijk gebaar dat de oude monnik zich niet meer beheerste. Hij legde zijn hoofd in zijn handen en huilde. Lucie legde haar arm om hem heen en trok hem tegen zich aan.
Toen Wulfstan later dankzij een kom brandewijn weer wat was opgekikkerd, vertelde hij over zijn vriendschap met de pelgrim. En over diens verdriet.
'Een aardig iemand, zo te horen. Ik dank u dat u ondanks uw verdriet gekomen bent. Hoe wist u dat u komen moest?'
'Van Digby. Hij kwam vertellen dat je het moeilijk had.'
'Dit is een vreemde kwestie, broeder Wulfstan. Digby wil met alle geweld helpen, de aartsdiaken komt op bezoek. Als ik de samenhang wist tussen Anselm en de pelgrim en tussen Anselm en Nicholas, begreep ik misschien wat er gebeurd is.'
Wulfstan zei niets. Lang geleden had hij Nicholas beloofd om Lucie niets over het verleden te vertellen, en dat was hij ook niet van plan. Maar het baarde hem zorgen dat Nicholas ziek was geworden terwijl hij en Anselm en Anselms officiaal in de Saint Mary waren. Dat kon nooit toeval zijn.
God schiep het kwaad uit Adams rib in de vorm van Eva. Hij nam het slechte deel van de man en schiep de vrouw. Dat staat zo helder en duidelijk geschreven, en toch nemen maar zo weinig mensen die waarschuwing ter harte. En door hun blindheid gaan ze te gronde. Anselm, aartsdiaken van York, knielde op de koude, vochtige stenen. Hij probeerde zijn bittere gedachten van zich af te zetten en voor zijn dierbaarste vriend te bidden. Maar die gedachten hadden alles met Nicholas te maken. Die vriendelijke Nicholas, te gronde gegaan aan zijn liefde voor een vrouw en zoveel pijn lijdend dat hij onmogelijk veel langer kon leven. Misschien was dat ook maar het beste.
Anselm ging onrustig verzitten. De vochtige kilte had zich in zijn knieën genesteld, vanwaar een doffe pijn zijn lendenen bereikte. Die pijn was zijn offer voor de verlossing van zijn vriend. Voor Nicholas wilde hij alles verduren. Om hem had hij het grootste deel van zijn volwassen leven geleden, maar hij had nergens spijt van. Zijn gebeden voor Nicholas kwamen recht uit zijn hart.
Nicholas' ongeluk was niet zijn eigen schuld. Hijzelf had niet het pad van de zonde gekozen. Dat was de keuze van zijn vader geweest, die hem van de abdij school had gehaald en hem leerling had gemaakt in de apotheek naast de taveerne, dicht bij het zondige hart van de stad. Nicholas moest van zijn vader naar de vrouwen kijken en een metgezel zoeken die hem een zoon zou baren om het bedrijf voort te zetten. Nicholas, altijd de gehoorzame zoon, had zich van Anselm afgewend en op zijn pad een vrouw gevonden die zo slecht was dat ze drie mannen in haar strikken kreeg voordat haar spel uit was. Alle drie gingen met haar te gronde. En haar dochter bezegelde zijn lot door Nicholas hier gevangen te houden tot de vloek zijn loop had genomen en in verschrikkingen eindigde. Nicholas' vader was terecht in verbittering gestorven. Hij zag zijn zoon nog ongetrouwd en nam een vreselijk geheim met zich mee dat alles kon vernietigen dat hij met zoveel hard werk had willen scheppen. Maar Nicholas had gespaard kunnen worden. Mooie, vriendelijke, liefhebbende Nicholas.
Anselm boog zijn hoofd en bad tot God om vergeving.
Weken later - het was al na Driekoningen - zat broeder Wulfstan naast de vuurpot in de ziekenzaal mismoedig naar zijn hand te kijken. Die had eerst getinteld en was toen ongevoelig geworden. Van niet meer dan een mespunt van het medicijn. Er zat genoeg monnikskap in om als zalf dodelijk te zijn. Geen wonder dat zijn vriend na inname was gestorven, en dat gold nu ook voor sir Oswald Fitzwilliam. God mocht hem vergeven, maar ongemerkt was hij oud en onbekwaam geworden. Hier lag het bewijs. Geen enkele ziekenbroeder mocht een door anderen bereid medicijn aanvaarden zonder het eerst te beproeven. Toch had hij dat gedaan. Zelfs na de dood van zijn patiënt was de gedachte aan controle niet bij hem opgekomen en had hij het medicijn op een plank gezet - klaar voor het volgende slachtoffer. God mocht hem vergeven: zijn vriend, de vriendelijke pelgrim, was door Wulfstans eigen onbekwaamheid vermoord. En nu ook sir Oswald Fitzwilliam, de pupil Van de aartsbisschop. Lieve Moeder Gods en alle heiligen, wat moest hij doen? Wat kon dit betekenen? Nicholas Wilton genoot in het hele graafschap aanzien. Hoe had hij zo'n fout kunnen maken?
Wulfstan staarde naar zijn hand en er kwam een mogelijke verklaring bij hem op. Misschien was Nicholas die middag al onwel geweest en had hij het medicijn verkeerd gemengd. Het ene poeder lijkt sterk op het andere. Met een ziekte onder de leden had hij zijn monnikskap misschien voor gemalen iriswortel aangezien. Wulfstan bad altijd dat Gods hand hem leidde als hij zijn ingrediënten afwoog. Elk medicijn werd maar al te gemakkelijk gif. Toch had Nicholas die middag niet ziek geleken. Zijn huid was misschien wat vlekkerig geweest, maar hij had een zwak gestel en was tijdens de eerste echte vorst van deze winter zojuist een paar uur in de tuin geweest. Aan de andere kant was hij ook vreemd humeurig geweest. Inderdaad. Maar lieve hemel, dat was te weinig voor verdenking. Al die jaren had hij Nicholas vertrouwd.
Eén ding was duidelijk. Wulfstan moest de rest van het medicijn naar Lucie Wilton terugbrengen en met haar praten. Ze moest Nicholas in het oog houden tot hij gezond genoeg was om weer aan het werk te gaan. Nicholas mocht geen kans krijgen iets te mengen totdat hij duidelijk weer bij zijn volle verstand was.
Toen Wulfstan de apotheek bereikte, was hij geagiteerd genoeg om te denken dat Lucie Wilton, zodra haar blik op het pakje in zijn hand viel, wist wat hij bij zich had. Maar dat kon toch niet? En wat ze zei, ontkrachtte zijn vermoedens.
'Een geschenk voor Nicholas? Een nieuw mengsel om zijn lichaamssappen te verbeteren?'
'Ik wou dat dat waar was, lieve Lucie.'
Bij de klank in zijn stem fronste ze haar wenkbrauwen. Ze bracht hem naar de keuken in het achterhuis en gebaarde dat hij op een stoel bij het vuur moest gaan zitten.
Buiten had Wulfstan het ijskoud gehad, maar nu transpireerde hij. Hij veegde zijn gezicht af en Lucie reikte hem een kom aan. 'Bess Merchet is wat van Toms bier komen brengen. Zo te zien hebt u het harder nodig dan ik.'
'God zegene je.' Hij pakte de kom dankbaar aan en nam een paar grote slokken.
'Wat is er aan de hand, beste vriend?' Lucie klonk kalm, maar haar blik was voorbereid op moeilijkheden. En toen hij de kom van haar aanpakte, had hij gemerkt dat ze koude handen had. Maar natuurlijk had hij haar met zijn ongevraagde komst en plechtige gedrag zenuwachtig gemaakt.
'Vergeef me. Ik kom net bij een sterfgeval vandaan. Sir Oswald Fitzwilliam, de pupil van de aartsbisschop. En ik ben bang dat ik daarvoor verantwoordelijk ben.'
'U, broeder Wulfstan?'
Hij zette de kom naast zich neer en raapte het pakje op. 'Dit heb ik hem gegeven, snap je, en pas toen ik zag dat hij snel achteruitging, heb ik het onderzocht. Lieve kind, iets meer dan de allerkleinste dosis van dit medicijn zou voor elke sterveling dodelijk zijn.'
Lucie bleef naar het pakje kijken en vroeg zachtjes: 'En dat komt u brengen om het door mij te laten onderzoeken? Hoopt u dat u zich vergist hebt?'
Wulfstan schudde zijn hoofd. 'Ik heb me niet vergist, Lucie.'
Ze keek naar hem op en hield zijn blik met haar helderblauwe ogen vast. 'Waarom hebt u het dan meegebracht?'
'Dit is het medicijn tegen vlektyfus dat Nicholas voor me maakte op de dag dat hij ziek werd.'
Eerst dacht hij dat ze hem niet gehoord had. Ze bleef zo doodstil zitten. Toen sloeg ze een kruis en fluisterde: 'Genadige Moeder. Weet u dat zeker?' Toen de strekking van zijn woorden tot haar doordrong, sperde ze haar ogen open.
'Ik etiketteer alles net zo zorgvuldig als jij,' zei Wulfstan.
'Ik wist niet dat er nog wat over was.
'De pelgrim stierf dezelfde avond dat hij het innam. Nicholas had me genoeg gegeven voor een paar dagen. Ik vond het zonde om het weg te gooien.
'Maar als u wist...'
'Pas vandaag. Pas vandaag bedacht ik dat ik het moest controleren.'
Lucie beet nadenkend op haar lip. 'Ik ken het medicijn tegen vlektyfus niet. Wat is het gif?'
'Monnikskap.'
'En u weet zeker dat het mengsel genoeg monnikskap bevat om dodelijk te zijn?'
'Ik heb een mespunt genomen, en mijn hand is nog steeds verdoofd.'
Lucie sloeg haar armen om zich heen. 'Kregen ze allebei pijn in hun ledematen?' Wulfstan knikte. 'Moeite met ademhalen?' Opnieuw knikte hij. Lucie legde haar hoofd in haar handen.
'Vergeef me dat ik je nog meer verdriet bezorg, lieve kind. Anders zou ik het je niet verteld hebben, maar ik vind dat je Nicholas in het oog moet houden. Laat hem niet in de apotheek komen voordat hij helemaal genezen is, zowel naar lichaam als naar geest.'
Ze knikte zonder op te kijken.
Wulfstan bukte om zijn kom te pakken. Lucies kat rekte zich bij het vuur uit en schurkte zich tegen Wulfstans hand. Melisende was een prachtige, wit en grijs gestreepte kat met ongewoon lange oren. Wulfstan krabde op haar voorhoofd en het dier begon te spinnen. 'Kennelijk was hij al ziek,' zei Lucie.
Wulfstan pakte zijn kom bier. Melisende sprong op zijn schoot en ging behaaglijk gekromd liggen. 'Dat denk ik ook. Hij besefte die dag niet dat hij fouten kon maken.'
Lucie keek weer op en in haar ogen blonken tranen. 'Kwam dat misschien van de kou? Ik had hem misschien niet samen met mij aan de rozen moeten laten werken.
Wulfstan voelde zich afschuwelijk. Het laatste wat hij wilde was Lucie van nalatigheid beschuldigen. Ze had al zoveel geleden en torste zo'n zware last op haar schouders. 'Lieve Lucie, hoe had je hem ooit uit zijn tuin kunnen houden? Je mag jezelf niet de schuld geven.'
'Dat is heel moeilijk. Hij teert weg.'
'Geef de hoop niet op. God roept hem pas bij Zich als het zijn tijd is.'
'Maar zelfs als hij herstelt...' Lucie raakte de tranen op haar wangen aan alsof ze in verwarring was over die natte plekken daar, en veegde ze weg met de doek waarmee ze haar handen had afgedroogd toen ze het bier had ingeschonken. 'Arme Nicholas. Als hij herstelt en ontdekt dat alles waarvoor hij gewerkt heeft in puin ligt, is hij een gebroken man.'
'Waarom in puin?'
Lucie keek de oude monnik met haar mooie, betraande ogen aan. 'Twee doden. Volgens de burgerlijke voorschriften mogen we geen praktijk meer uitoefenen. Het gilde kan die voorschriften niet overtreden. Ik kan me niet voorstellen dat gildemeester Thorpe mijn man een nieuwe kans kan geven. We zijn geruïneerd, broeder Wulfstan.'
Wulfstan streelde de kat en bad in stilte om leiding. Zo'n ramp moest hij voorkomen.
Lucie ijsbeerde een paar keer van het vuur naar de deur, maar bleef toen halverwege voor een paar planken staan en herschikte afwezig de potten en borden die voor haar stonden.
'Wat een afschuwelijke situatie,' zei Wulfstan meer tegen de kat dan tegen Lucie.
Maar Lucie leek bij die woorden op te schrikken en kwam snel naast de oude monnik zitten. Ze nam een van zijn handen in de hare. 'Beste vriend, vergeef me. Ik dacht alleen maar aan de gevolgen voor Nicholas en mij, maar ook uw levenswerk loopt gevaar.' 'Ik? Mijn levenswerk?'
'Uw ziekenzaal.'
'Mijn... Hoe kan die nou gevaar lopen?'
'Als abt Campian ontdekt dat u het medicijn zonder controle hebt toegediend...'
Lieve Jezus, zou de abt hem van zijn taak ontheffen? Natuurlijk. En terecht. De ouderdom had hem onvoorzichtig gemaakt.
'Tenzij we onszelf beschermen,' zei Lucie zachtjes.
'Onszelf beschermen?'
'Door het strikt geheim te houden.'
'En het tegen niemand te vertellen?'
'Tegen niemand.' Ze keek naar hun handen en toen weer naar Wulfstan. 'Dat kan toch niet verkeerd zijn? Wat mij betreft zorg ik dat Nicholas geen medicijnen meer klaarmaakt totdat u en ik allebei vinden dat hij zijn gezonde verstand helemaal terug heeft. En ik weet zeker dat u nooit meer een medicijn toedient dat u niet zelf eerst beproefd hebt.' Ze keek Wulfstan met haar heldere ogen aan. Die waren nu droog. Kalm en rationeel.
Wulfstan fleurde op. 'Zover had ik nog niet nagedacht. Maar natuurlijk heb je gelijk over de gevolgen. Voor ons alledrie.' Hij dronk het bier op.
'Het is dus ons geheim?'
God mocht hem bijstaan, maar Wulfstan wilde in dit huishouden niet nog meer verdriet veroorzaken. Evenmin wilde hij zijn ziekenzaal kwijtraken. Hij knikte. 'Ons geheim.'
Lucie kneep in zijn hand.
'Maar als hij herstelt...' begon Wulfstan.
'Dan zorg ik dat hij geen fouten maakt.' Lucie liet zijn hand los en bukte zich om het pakje op te rapen. 'Volgens de voorschriften moet ik het verbranden.'
Wulfstan knikte. 'Doe dat maar. Ik wil het best voor je doen, maar...'
Lucie schudde haar hoofd. 'Nee, het is mijn plicht.' Ze boog zich voorover en kuste hem op de wang. 'Dank u, broeder Wulfstan. U bent onze redding geweest.'
Hij kon nauwelijks geloven dat uit kwaad zoiets liefs kon voortkomen. God had hem de weg gewezen.
Toen Wulfstan weg was, sloeg Lucie haar armen om zich heen en begon te ijsberen. Ze moest aan de kruik bier denken. Een flinke kom kalmeerde haar misschien. Maar het was nog vroeg in de middag. Straks kwamen er klanten. Ze moest alert blijven. Alles hing nu van haar af.
© Candace Robb 1993