Het kasteel van Windsor maart 1367
De Saint-Georgezaal baadde in een gloed van toortsen en lampen; ze schiepen in de rij beglaasde ramen langs de achtermuur een firmament van sterren. De stemmen van 's konings hovelingen vormden een contrapunt tegen de muziek en hun zijden kleding ruiste als hun voeten het ritme vonden. Er hing een overvloed aan geuren: gebraden wild zwijn. exotische specerijen, verfijnd geurige kapsels en kleding, smeltende bijenwas. rook, zweet en af en toe een ijskoude tocht, als feestvierders naar buitcn glipten om hun door wijn gezwollen blaas in de privaten te ledigen.
Een laatkomer duwde een wankelende edelman ongeduldig opzij en bleef toen staan. Zijn zintuigen waren gewend aan de donkere stilte in de sneeuw op de hoge binnenplaats, maar werden nu overdonderd door het lawaai, de hitte en de rokerige gloed van de toortsen. Ned Townley ging ervan hoesten en met zijn ogen knipperen. Terwijl hij de sneeuw uit zijn haren schudde, speurde hij de gezichten aan de lange tafels bij de deur af. Daar zaten de pages en lagere functionarissen over hun voedsel gebogen. Hij zocht een jong gezicht dat hem de laatste tijd veel te vertrouwd was geworden. Een gezicht dat hij te vaak naar Mary, Neds verloofde, had zien buigen.
Hij had het niet zo lang op zijn beloop moeten laten. Maar de tekenen van Mary's verwarring waren heel subtiel geweest. Gefrons van wenkbrauwen dat schouderophalend werd afgedaan, iets afwezigs, onverklaarde tranen. Toen Ned iets begon te vermoeden en Mary in het oog ging houden, had zij met Daniel, een page in de huishouding van sir William van Wyndesore. al een mate van vertrouwelijke intimiteit bereikt die Ned zelf vele maanden gekost had. Niet dat hij hen op een omarming had betrapt; Mary was veel te trouw om het zover te laten komen zonder alles op te biechten. Hij zag dat Mary zich van haar schuivende loyaliteit bewust was en door schuldgevoelens werd geplaagd.
Maar hij was niet van plan om haar te verliezen. Zijn mededinger was maar een page, die kort geleden vanuit Dublin aan het hof was gekomen. Wat wist die snotneus van de liefde? Ned had in vele landen vrouwelijke charmes geproefd en wist dat Mary door God voor hem was bestemd. Hoe hevig verliefd kon zo'n knul zijn? Ned nam aan dat hij al met weinig af te schrikken was. Wat scherpe woorden, een verhuld dreigement - meer niet.
Toen zijn blik op Daniel viel, begon hij even aan zijn verdenkingen te twijfelen. Anders dan de volgelingen om hem heen leek de page een bleek, teer iemand. Welke vrouw zou haar hart verliezen aan zo'n lummel? Overdreef Ned misschien de dreiging die deze snotaap voor zijn geluk kon betekenen? Maar dit was geen moment voor zwakte. Hij moest al het mogelijke doen om zijn toekomstige geluk met Mary veilig te stellen.
Hij rechtte zijn schouders en begon dreigend te kijken. Als vanavond zijn oude wapenbroeders naast hem hadden gestaan. waren ze in lachen uitgebarsten. hadden ze hem op de rug geslagen en hadden ze hem een verliefde gek genoemd. Maar achter hun plagerige blikken zouden Owen en Lief het begrepen hebben. Ook zij waren tot over hun oren verliefd op de vrouwen die ze naar de kerkdeur hadden gelokt.
Ned had geen rekening gehouden met de solidariteit van Wyndesores mannen.
Daniel staarde naar de grond en had zijn hoofd en schouders verdrietig gebogen. Hij wou dat hij ergens anders was en niet hier.
Het verdriet van de page betrof de lange. knappe man die zich vol minachting tot sir Williams volgelingen had gewend.' Ik ben niet dwaas genoeg om iemand onder de ogen van zijn kameraden aan te vallen! En zo'n snotneus al helemaal niet.' Maar de volgelingen hadden opdracht om de page van hun heer te beschermen, en dat waren ze dan ook van plan.
Daniel keek op. Het knappe gezicht van zijn aanklager was rood van woede en zijn elegante kleding door het ruwe optreden van de mannen in ongerede geraakt. Daniel wou dat hijzelf uit de zaal werd gebracht in plaats van Ned Townley. Daniel bewonderde Townley. want deze bezat alles waarvan een page droomde. Hij was spion voor de machtige derde zoon van de koning, John of Gaunt. de hertog van Lancaster. Hij was een beproefd soldaat, befaamd vanwege zijn handigheid met messen. Toch was hij geen lompe bruut. Anders dan sir Williams volgelingen was Townley in zijn kleding. manieren en taalgebruik een hoveling. En vanwege zijn vriendelijke bruine ogen en volmaakt gevormde gezicht en lichaam vond Daniel hem de knapste man die hij ooit gezien had. Zo'n man zou hij nooit bewust kwaad maken.
Maar een paar tellen geleden had Townley duidelijk gemaakt dat hij onbedoeld een misstap had begaan. Die waarschuwing was geuit met een energie waarvan Daniel geschrokken was, Townley had de hals van zijn tuniek gepakt en hem overeind getrokken. 'Ik nagel je aan de wandtapijten als je mijn verloofde met je attenties blijft achtervolgen.'
'Uw verloofde?' had Daniel gepiept.
'Mary, mevrouw Perrers' kamenierster.'
'Nee! Ik smeek u!' had Daniel geroepen in de hoop dat hij weer op de grond werd gezet en kon uitleggen dat zijn gevoelens voor Mary zuiver broederlijk waren. Maar zijn uitroep had de aandacht van sir Williams bullebakken getrokken. die Townlev nu de zaal uit brachten.
'Van hem heb je geen last meer. Daniel. Wees maar gerust.' zei Scoggins, die de kroes van de jongen vol ale schonk.
Daniel knikte en hief zijn kroes naar Scoggins. en toen dronken ze allebei. Op dat gebaar had Scoggins gewacht en daarom maakte hij het. Maar hij was nauwelijks dankbaar. Als Scoggins zich met zijn eigen zaken bemoeid had, had Townley een paar keer op tafel geslagen en gedreigd hem met zijn dolken aan de dakbalken te spijkeren. Daarna zou hij stampend de nacht in zijn gelopen in de tevreden zekerheid dat hij Daniel de stuipen op het lijf had gejaagd. En morgenochtend zou tot Townley zijn doorgedrongen dat Daniel het begrepen had en van plan was om uit Mary's buurt te blijven. Dan zou alles vergeten en vergeven zijn. Maar voor Scoggins was het blijkbaar een erezaak om de page van zijn heer te beschermen.
Eerlijk gezegd had Ned Townley alle reden om kwaad te zijn. Daniel was een dwaas geweest en begreep heel goed waarom zijn attenties jegens Mary verkeerd waren opgevat. Hij had niet geweten dat Townley de Ned was over wie Mary aan één stuk door praatte. Niet één keer had ze het over zijn opmerkelijke vaardigheid met messen gehad. Ze had hem alleen Ned genoemd, 'mooie Ned'. 'aardige Ned', 'tedere Ned'. 'lange. sterke. onstuimige Ned'. Een sprookjeswezen. Niet de spion van de hertog van Lancaster,
Daniel dronk zijn ale op. schoof zijn kroes opzij en luisterde met een half oor naar de gesprekken om hem heen - allemaal over het feit dat hun heer, sir William van Wyndesore, die dag met de koning had gepraat. Men zei dat sir William de moeilijkheden in Ierland stoutmoedig had toegeschreven aan de geringe oordeelskracht van de hertog van Clarence. Volgens sommigen was de koning kwaad geworden; sir William moest verbannen worden naar de Schotse grens. Volgens anderen wist de koning dat zijn zoon Lionel. de hertog van Clarence. niet te vertrouwen was: daarom kreeg sir William promotie tot markgraaf en werd hij uitgestuurd om de Schotse grens te beschermen.
Daniel spitste zijn oren. Iedereen was het eens over de waarschijnlijkheid dat ze - als beloning of als straf - naar het noordelijke grensgebied zouden marcheren. Zijn stemming verbeterde. Dat betekende dat ze het kasteel van Windsor en zijn vernedering binnenkort ver achter zich lieten. Hij reikte afwezig naar zijn kroes, herinnerde zich dat hij die had leeggedronken en merkte dat hij weer vol was. Was het maar verbeelding dat hij hem had uitgedronken? Hoe dan ook, hij nam een lange slok. Hij kreeg een beetje hoofdpijn en nam nog een lange slok. En toen nog een. Iemand vulde zijn kroes bij en lachte om Daniels gebrabbelde protesten.
'Kom op, knul. Scoggins heeft je hachje gered. Drink maar op hem.'
Daniel herinnerde zich dat het al voor het avondmaal was gaan sneeuwen. Het zou een lange. verraderlijke wandeling worden van de zaal naar sir Williams verblijven. Nu al durfde hij niet te proberen op te staan. Hoe moest hij door de sneeuw laveren?
'Pak je kroes, knul. en drink hem leeg!' Een gezicht zweefde voor het zijne, maar hij was te ver heen om te beseffen wie het was. Hij knipperde met zijn ogen om het beter te kunnen zien. Hoe vaak hadden ze zijn kroes al volgeschonken? Hij schudde zijn hoofd om helderder te kunnen denken en voelde het zuur in zijn maag opstijgen. 0 God, hij ging vanavond voor de tweede maal een beschamend figuur slaan. Hij was vervloekt - dat was zeker.
Hoewel het al maart was, hield de strenge winter aan.
Broeder Michaelo vond de sneeuwval van die nacht op dit vroege uur prachtig om te zien. Het maagdelijke wit lag ongerept op de aardhopen en richels binnen de muren van het kasteel, maar de sneeuw maakte de gegroefde modder onder zijn voeten verraderlijk. Voorzichtig en diep gebogen liep hij verder en had alleen aandacht voor zijn laarzen en de zoom van zijn habijt. Hij was van plan de vertrekken van aartsbisschop Thoresby droog en toonbaar te bereiken.
Dat was overigens van weinig belang. Michaelo zou zich vandaag niet onder de hovelingen mengen maar zich over zijn lessenaar buigen en aartsbisschoppelijke brieven schrijven aan de abten van Fountains en Rievaulx - aanbevelingsbrieven voor William van Wykeham als bis schop van Winchester. Een neerslachtig stemmende taak, want als de koning de benoeming bevestigd kreeg, zou Wykeham in de positie zijn om aartsbisschop Thoresby als kanselier te vervangen. Een naargeesti ge gedachte. Niet dat het geen eer was om secretaris van de aartsbis schop van York te zijn, maar een aartsbisschop was minder aan Londen gebonden dan een kanselier. Michaelo zuchtte bij het vooruitzicht om nog meer tijd in York te moeten doorbrengen. Hij had Thoresby liever in zijn dubbelrol. Hier leek de winter al eindeloos: in het noorden was dat nog veel erger. Zijn enige hoop op redding van zo'n uitzichtloze toekomst was dat de paus, ondanks de brieven die Wykeham geestdriftig voor de bisschopszetel aanbevalen. voet bij stuk hield en van Wykeham het eerste slachtoffer maakte in zijn oorlog tegen het pluralisme. Naar paus Urbanus geloofde, leidde het gebruik om geestelijken meer dan één prebende te geven, tot verwaarloosde parochies en een verwende geestelijkheid met meer aandacht voor hun verplichtingen jegens hun weldoeners dan voor hun verantwoordelijkheden jegens hun kudde. Zijne Heiligheid noemde William van Wykeham de rijkste pluralist in Engeland. En dat was overduidelijk waar.
Bij een schreeuw van onder de Ronde Toren schrok Michaelo uit zijn gedachten op; hij rechtte plotseling zijn rug, wankelde en hervond zijn evenwicht. Drie gewapende mannen renden op de beroering af De man die alarm had geslagen. stond boven de greppel langs de heuvel waarop de toren was gebouwd. De sneeuw. die als een deken over de steile helling lag. vertoonde sporen alsof iets van boven naar beneden was gegleden. Door nieuwsgierigheid gedreven liep Michaelo erheen. Drie passen verwijderd van wat inmiddels een kleine menigte was, zag Michaelo drie mannen een lijk uit de greppel halen. De greppel was door de zware regenval vol water geraakt en een ondiepe gracht geworden; de vorst had er een laag ijs op gelegd. De arme stakker was kennelijk in het ijzige water gegleden en verdoofd van de kou verdronken voordat hij voldoende bij zinnen was om eruit te kruipen. Maar wat deed hij daar op die helling'?
Een van de mannen haalde iets uit de modder dat op een mantel leek. Hij rook eraan en gaf hem aan zijn kameraad.
'Ruik 's.'
Zijn kameraad snoof en deinsde achteruit. 'Grote goden! Dat heb ik liever in mijn kroes dan in natte wol. Wat heeft die knul gedaan? Is hij soms in een vat gedoken?'
'Hij is flink aan het hijsen geslagen en vond toen dat hij maar eens sleetje moest rijden, wed ik.'
Juist. Nu begreep Michaelo het spoor in de sneeuw. De helling af glijden, niet kunnen remmen - menige moeder had dat scenario de afge lopen maanden met haar ondeugende kinderen doorgenomen om hen voor het gevaar te waarschuwen. 'Wie is dat?' riep Michaelo.
'Daniel. De page van sir William van Wyndesore.'
'Weet je dat zeker?' Michaelo kende Daniel. Een aardige jongen met een lief gezicht.
'Volgens mij is het Daniel,' zei de man.
Michaelo werkte zich nog dichterbij en ploegde door de modder zonder aan zijn laarzen te denken. De jongen lag op de grond. Zijn ogen stonden wijd open, zijn haar zat onder de modder en hij had zijn armen uitgespreid. Toen Michaelo naast het lijk hurkte om het stijve haar uit zijn gezicht te vegen, viel hem iets op dat niet bij een verdronken man paste: net zichtbaar onder de mouwen van zijn tuniek stonden rode striemen op de polsen. Michaelo wilde de mouw optrekken om ze beter te kunnen zien, maar bedwong zich. Hij veegde het haar naar achteren en sloot zachtjes de ogen van de jongen.
'En? Is het Daniel?' De man hield de mantel op armlengte van zich af. Michaelo stond op en sloeg een kruis over het lijk. 'Ja. Ja. Arme jongen.' Zonder een woord over Daniels polsen liep hij haastig weg. Dat kon hij beter vertellen aan iemand die te vertrouwen was.
Sir William van Wyndesore beval zijn dienaren om het lijk van de jongen af te dekken en nieuwsgierigen uit de buurt te houden. Toen ging hij naar buiten om met zijn mannen te praten. Het bleke licht van de winterzon brandde in zijn ogen en een kille wind legde ijsvingers rond zijn botten. Hij vloekte zachtjes. Wyndesore was een taaie, ervaren krijgsman en indrukwekkend gebouwd. maar niet jong meer. Dankzij de paar glazen uitstekende brandewijn van gisteravond voelde zijn hoofd bij het wakkerworden vele malen groter aan dan normaal, en omdat zijn dienaren ontzet waren over het nieuws van Daniels verdrinkingsdood, was het ontwaken plotseling en onaangenaam verlopen. Zijn mannen hadden zich op de binnenplaats verzameld. Sommigen wipten van de ene voet op de andere om het warm te krijgen. anderen wreven in hun ogen, maar velen fronsten woedend hun wenkbrauwen en riepen om Ned Townley.
'Wie?' vroeg Wyndesore aan zijn schildknaap.
Alan boog zich naar hem toe. 'Ned Townley. Hij is de spion van Lancaster en hij is achtergebleven om de oren van de hertog te zijn terwijl die in Castilië vecht. Dat zeggen ze tenminste.'
'Zeggen ze dat echt? En wat heeft hij op zijn kerfstok, behalve dan dat hij Lancasters spion is?'
'Dat weet ik niet, maar gisteravond zag ik Scoggins bij hem.'
Wyndesore ging rechtop staan, tuurde naar zijn mannen en pikte Scog gins eruit, die minstens zo ontevreden stond te kijken als de rest. 'En, Scoggins, wat heeft die Townley gedaan?'
'Daniel vermoord. Dát heeft-ie gedaan, heer.' De mannen mompelden instemmend bij Scoggins' uitleg en hun stemmenkoor echode tegen de stenen muren om hen heen.
'Heb je dat met eigen ogen gezien?'
Scoggins spuwde in de modder en schudde zijn hoofd. 'Nee, heer. Maar ik zag die twee gisteravond ruzie maken over een van de kameniersters van mevrouw Perrers, de kleine Mary. En Townley zei tegen Daniel dat hij hem met zijn messen aan de muur zou spijkeren als hij hem nog een keer in Mary's buurt zag. Dat zei hij, en daarop durf ik te zweren, heer. Ik riep dat een paar mannen hem de zaal uit moesten brengen. Hij is vast teruggekomen om de jongen buiten op te wachten.'
Wyndesore sloot zijn ogen. 'En is Daniel neergestoken'?' Scoggins was een kletsmajoor en een lastpak, maar een goed soldaat en trouw. Door dik en dun. 'Wel. Scoggins?'
De man haalde zijn schouders op. 'Ik heb het lijk niet gezien. heer.'
Wyndesore keek om zich heen. 'Wie wel? Wie heeft hem gevonden?'
'Een van de wachtposten van de koning.' fluisterde Alan. 'Maar Bardolph en Crofter hebben hem uit de greppel helpen trekken.'
'Crofter!'
Een blonde man met een vierkante kaak deed een stap naar voren. 'Ik heb geen steekwonden gezien, heer. De jongen is verdronken. Dat valt niet te betwijfelen.'
Wyndesore knikte. 'Dan geen geklets meer over Townley.'
Crofter schudde zijn hoofd. 'Maar het kan toch best dat Townley van mening veranderde en het op een ongeluk wilde laten lijken, heer? Dat kan best.' Hij klonk nuchter, zonder ruzietoon.
Wyndesore fronste zijn wenkbrauwen. 'Hou je aan de feiten, Crofter.' Crofter knikte vol goedmoedige onderdanigheid. 'Hij is verdronken, heer.'
'Dank je.'
Maar Crofter was nog niet klaar. 'Als ik zo vrij mag zijn. heer, maar zijn mantel stonk naar ale. Hij moet dat allemaal gemorst hebben. Volgens mij was hij te dronken om goed te weten wat hij deed, heer.'
Wyndesore wendde zich tot Scoggins. 'Was Daniel dronken toen hij de zaal uit liep?'
Scoggins haalde zijn schouders op en keek naar de grond. 'Een beetje wel, heer.'
'Hij was niet gewend om veel te drinken. Scoggins. Heb jij hem aangemoedigd?'
Scoggins keek zijn heer aan. 'Inderdaad, heer, en daarvoor zal ik veel boete doen.'
'Jij was dus ook aan het drinken?'
'Jawel, heer.'
'Heeft iemand aangeboden om de jonge Daniel naar zijn bed te brengen?'
'Ik heb hem niet zien weggaan, heer.
'Was je toen te dronken?'
'Jawel, heer.'
Wyndesore legde zijn hand boven zijn ogen tegen het zonlicht en keek weer naar zijn mannen. 'Ga aan jullie werk van vanochtend. Bij de mis van morgenochtend krijgen jullie de kans om voor Daniel te bidden. Hij draaide zich om, marcheerde weer naar binnen en riep dat Alan mevrouw Alice Perrers moest wekken.
'Ned Townley ook, heer?'
'Eerst mevrouw Alice, verdomme.
' Alan haastte zich weg.
In afwachting van zijn secretaris ijsbeerde John Thoresby door zijn ver rek. Michaelo's late komst was vanochtend wel bijzonder ergerlijk. Thoresby had vastgesteld hoe hij het verzoek van de koning met zijn eigen belangen kon verzoenen en wilde aan het werk. Waar bleef zijn secretaris? Was hij zolang bezig met zijn toilet?
Toen Michaelo eindelijk kwam.was deze buiten adem. Zijn gezicht was vuurrood en de zoom van zijn habijt was tot Thoresby's verrassing doorweekt.
'Waar bleef je zo lang?'
'Monseigneur, er is iets verschrikkelijks...' Michaelo schudde zijn hoofd, ging aan de schrijftafel zitten. depte zijn gezicht met een doek, sloot zijn ogen en haalde diep adem.
'Wat voor verschrikkelijks. Michaelo? Je beeft helemaal.'
Zijn secretaris knikte en depte zijn bovenlip.
'Michaelo!'
'Vergeef me, monseigneur. Ik wilde even op adem komen.' Michaelo schudde zijn hoofd. 'Het gaat om die striemen, monseigneur. En zijn mantel. Hij dreef in de gracht, niet in een bierton. Hoe kan iemand zoveel ale morsen dat zijn hele mantel doorweekt is? En nog vreemder: waarom droeg hij een mantel terwijl hij aan het drinken was'?'
De aartsbisschop keek zijn ongewoon onthutste en raaskallende secretaris aandachtig aan. 'Heb je jezelf vanochtend te veel verwend'? Heb je weer hoofdpijn?'
Michaelo hief langzaam zijn hoofd en keek Thoresby fronsend aan alsof hij verbaasd was. 'Nee, monseigneur. Ik was op weg hierheen toen ze hem ontdekten en uit de greppel trokken.'
'Wie werd uit welke greppel getrokken?'
'Heb ik dat niet gezegd? Ik smeek u om vergeving. monseigneur. Het was Daniel. De page van sir William van Wyndesore, Hij lag daar onder de Ronde Toren. Verdronken, monseigneur. Of nog erger.
Nog erger? 'Verdrinken is anders nogal dodelijk, dunkt mij. Wat kan nog erger zijn dan dat?'
Michaelo trok zijn wenkbrauwen samen. 'Ik heb niets gezegd tegen de mannen die hem vonden, Ik wil niet van een mug een olifant maken. Maar er stonden afdrukken op zijn polsen. Alsof hij geboeid was geweest, monseigneur.
Dat kon moeilijkheden betekenen, maar Thoresby schrok vooral van de identiteit van het slachtoffer. Zijn secretaris had een zwak voor mooie jongemannen. 'Daniel. Een nogal knappe jongeman, als ik me niet vergis. Je hebt toch weer niet je geloften gebroken, hè, Michaelo?' Bij die vraag leek Michaelo's hoofd te verhelderen. Plotseling zat hij waakzaam rechtop. 'Monseigneur! Ik liep alleen maar langs!'
'Dat betwijfel ik niet, Michaelo. maar je onthutsing duidt op gehecht heid.'
Michaelo sperde zijn neusvleugels open. 'Zoals altijd ben ik op afstand gebleven. monseigneur.
Deo gratias. Thoresby onderdrukte een glimlach toen Michaelo met geheven kin en een stijve rug van verontwaardiging zijn ganzenveer pakte en die in de aanslag boven het perkament hield.
'Zullen we beginnen. monseigneur?'
Dat zijn secretaris zich gekwetst voelde, stelde Thoresby gerust. 'Inderdaad. Ik heb besloten hoe ik de brieven wil formuleren die onze koning gevraagd heeft.'
Alles was een kwestie van nadruk, had Thoresby besloten. Prijs die elementen in Wykehams carrière die de cisterciënzer abten het minst aanstonden - hoe onmisbaar de koning hem gevonden had als voormalig bouwmeester en huidig zegelbewaarder. want dat accentueerde natuurlijk Wykehams wereldlijke loyaliteiten. De koning kon dat niet ontkennen, en evenmin dat Thoresby zijn woorden inkleedde als lof. Thoresby glimlachte in zichzelf en begon Michaelo te dicteren.
In een gewaad dat voor een vroege ochtendwandeling elegant was en met haar bruine haar met zorg gekapt onder een zachte sluier, schreed Alice Perrers vanuit de hoge binnenplaats door de poort. Ze klemde haar met bont gevoerde mantel stevig rond haar huiverende lichaam. Het was te vroeg om buiten te zijn; het bloed had haar ledematen nog niet opgewarmd. De wachtpost boog voor haar. Haar page liep met een roemer en een kan aangelengde, verfijnd gekruide wijn haastig achter haar aan. Alice was van plan de ochtend waardig en met haar gebruikelijke verfrissing te beginnen, ongeacht wie er in de gracht gevonden was. Na haar bezoek aan sir William moest ze weer naar de vertrekken van de ziekelijke koningin om haar te verzorgen. Voor Alices eigen behoeften was geen tijd. Niet dat ze haar plicht jegens koningin Phillippa onaangenaam vond: Alice dankte haar positie aan de genegenheid van de bejaarde koningin. Maar ze moest ook voor zichzelf zorgen - anders deed niemand dat. Ze was negentien. Als ze niet om haar gezondheid dacht, zou de bloem van haar jeugd, die de koning zozeer boeide, spoedig verwelken. Ze maakte zichzelf niets wijs. Ze was geen schoonheid. Haar macht school in haar jeugdige, goed gevormde lichaam, haar begrip voor de verlangens van mannen en haar listige ambitie.
Bij de deur van sir William van Wyndesores vertrekken draaide ze zich met opgetrokken wenkbrauwen om. 'Gilbert'?'
Haar bediende haastte zich naar voren, nam de bokaal in de hand met de kan en klopte scherp aan. Hij had geleerd dat zijn meesteres een driftbui kreeg als hij zijn knokkels spaarde.
Toen de deur openging, gleed Alice langs Gilbert naar binnen en kwam ze in een gerieflijke en toch sobere ontvangkamer terecht die kennelijk door een soldaat was ingericht: twee stoelen met hoge ruggen. twee bijzettafeltjes en een opslagkist. De stoelen stonden voor een grote vuurpot, die vanuit zijn donkere hoekje een aangename warmte verspreidde. Sir William zat op een van de stoelen en had zijn voeten uitgestrekt naar het vuur. Hij keek lui op en knikte. Hij was een knappe man, meer dan dertig jaar ouder dan Alice maar lichamelijk nog steeds sterk. Zijn volle, donkere haar begon grijze strepen te vertonen, maar was nog steeds dik. Typisch iets voor hem om niet op te staan. dacht Alice. Had hij zich ook zo onbeschaamd gedragen toen hij onder de hertog van Clarence in Ierland diende? Een intrigerende vraag, en ze wilde er meer over weten. 'Sir William.'
Wyndesore gebaarde Alice naar de andere stoel. Met koninklijk zwaaiende rokken ging ze zitten. Een bediende haastte zich om een tafeltje naast haar neer te zetten. Gilbert kwam naar voren en schonk wijn in. 'U hebt uw verfrissing bij u? Voor alle zekerheid?' Wyndesore grijnsde. 'Ik heb 's morgens vroeg altijd veel dorst, en zoals we gisteravond hebben vastgesteld' - met een ingetogen glimlach keek ze op - 'is mijn kelder voortreffelijk.' Alice hief haar bokaal alsof ze hem toedronk en nam een slokje.
Wyndesore sloeg haar vermaakt gade. 'Het verwende schoothondje van de koning.'
Alice zette haar stekels op. 'Geen schoothondje.'Wyndesore legde een hand op zijn hart en boog zijn hoofd. 'Vergeef me, mevrouw Alice. Ik heb de lompe manieren van een soldaat.'
Aan zijn gespeelde verontschuldigingen besteedde Alice geen aandacht
Het spelletje verveelde Wyndesore blijkbaar. 'Ned Townley dus. Heeft hij een oogje op uw kamenierster Mary?'
Alice liet haar vinger afwezig over de rand van haar bokaal glijden. 'Waarom vraagt u dat?'
'Hebt u het nieuws over mijn page gehoord?'
Alice zette een bedroefd gezicht. 'Arme Daniel. Uitgegleden. Zo'n ongeluk had iedereen wel verwacht, maar dan met een kind, niet met een jongeman.' Langzaam hief ze haar blik. 'Waarom noemt u Ned?'
'Misschien was het wel geen ongeluk. Ned Townley heeft Daniel gisteravond bedreigd - omdat hij in Mary's buurt kwam. Flirtte Daniel met uw kamenierster?'
'Sir William! Hebt u soms naar ordinaire roddels geluisterd?'
Wyndesore boog zich voorover en had genoeg van Alices geplaag. 'Ja of nee?'
Pruilend als een gehoorzaam kind vouwde Alice haar handen. 'Daniel was de laatste tijd een lastpost. Zoveel mag ik wel zeggen, hoewel ik niet graag kwaadspreek van de doden. Maar hij maakte Mary niet het hof. Dat was blijkbaar niet zijn bedoeling.'
Wyndesore snoof. 'Waarom hangt een man anders rond bij een knappe vrouw?'
Alice veinsde verbazing bij die opmerking. 'Kan ze geen gewone vriendin zijn als ze knap is?' Ze hield haar hoofd schuin en maakte verwijtende geluidjes naar Wyndesore.
Hij lachte.
Alice nam een slokje wijn en werd weer ernstig. 'Wat denkt u van de zaak?'
Wyndesore trok zijn voeten in en knipte met zijn vingers om een kom ale te laten komen. 'Wat ik denk, doet er niet toe. Het gaat om mijn mannen. Zij denken dat Townley Daniel vermoord heeft.' Hij nam een grote slok en sloeg Alice over de rand van zijn houten kom gade.
Alice schudde haar hoofd. 'Dat heeft Ned niet gedaan. Ik sta voor hem in, en Mary eveneens. Hij was bij haar toen ik vannacht naar bed ging, en u zult zich herinneren dat het toen nogal laat was.' Alice zuchtte. Mary was een knap kind. Alice had plannen voor haar, maar die omvatten geen laaggeborene als Ned. 'Ik heb weinig hoop dat Mary's maagdelijkheid bewaard is gebleven.'
Wyndesore grijnsde. 'Daarop heeft nooit veel hoop bestaan, mevrouw Alice. Een knap meisje aan het hof'? Kom nou!' Wyndesore dronk zijn ale op, haalde een doek uit zijn mouw en veegde zijn mond als een hoveling af. Echte soldatenmanieren! 'Wel, ik geloof u op uw woord, maar mijn mannen zullen het er niet mee eens zijn. Ze waren dol op die jongen. Hij zal wel hun troeteldier zijn geweest. Ze zijn boos over zijn dood en willen bloed zien. En Townley met zijn hofkleren en zijn gesnoef over zijn mooie messen haten ze maar al te graag.' Wyndesore lachte om zijn eigen spitse opmerking.
Alice glimlachte beleefd. Wyndesore was knap en machtig, maar niet spits. 'Ned wekt ook wrok omdat hij Lancasters spion is. Het gewone volk heeft geen liefde voor de hertog.' Gilbert vulde Alices bokaal bij. Ze maakte van die onderbreking gebruik om de situatie te overwegen. 'Ik vraag me af of Ned weet dat hij in gevaar is.'
'U mag ervan uitgaan dat hij dat weet. Ik zal mijn mannen waarschuwen dat het ze duur te staan zal komen als Townley iets overkomt. Maar hij kan hier beter vertrekken.'
'Dat was de hertog niet met hem van plan.' zei Alice. De hertog van Lancaster had Ned tijdens zijn Spaanse campagne aan het hof gelaten om zijn manieren bij te vijlen. betere brieven te leren schrijven en de hertog over het hofnieuws te informeren.
'De duivel hale de hertog!' gromde Wyndesore.
Alice kromp ineen. Wyndesore moest op zijn woorden passen. In Ierland was hij onderbevelhebber geweest en te belangrijk om iemand te kunnen kwetsen. Maar hier aan het hof van de koning was hij onbeduidend. En velen hadden het gevoel dat hij zijn heer aan de koning had verraden. Zo'n opportunist boezemde respect noch vertrouwen in. Wyndesore zou zijn optreden moeten matigen.
'Hoe gaat het met de koning'?' vroeg Wyndesore om iets anders aan te snijden.
Alice fronste haar wenkbrauwen en wierp een blik op Wyndesores bedienden. Ook haar positie aan het hof was hachelijk. Als maitresse van de koning werd ze door hem met geschenken overladen en had ze enige macht. Maar als hij genoeg van haar kreeg of als hij - wat gezien zijn leeftijd nog waarschijnlijker was - stierf... Alice deed veel moeite om dicreet te blijven. Ze vertrouwde haar eigen dienaren, maar wat wist ze van Wyndesores volgelingen? Met hoeveel zorg koos hij de mannen om zich heen? Ze hadden zeker geen reden om háár trouw te zijn.
Wyndesore knipte met zijn vingers en stuurde de dienaren de kamer uit. 'Wel?'
Alice haalde haar schouders op. 'Op dit moment spuwt hij vuur jegens paus Urbanus.'
'Wykeham is nog geen bisschop, weet ik.'
'Thomas Cobham kwam uit Avignon terug met het nieuws dat Zijne Heiligheid Wykeham graag de lopende zaken van het diocees Win chester laat afhandelen totdat een opvolger is benoemd. U kunt zich Cobhams rode oren voorstellen. De stakker beefde zichtbaar toen hij de koning onder ogen kwam. En toen hij weer wegging, was hij er nog veel erger aan toe.
'Wykeham lijkt me een geschikte kandidaat. Ik begrijp het verzet van de paus niet,'
'Het is voor Zijne Heiligheid alleen maar een mooie gelegenheid om zijn macht over de koning te tonen. Twee oude mannen slaan elkaar met stokken.'
Ze glimlachten allebei.
Nog steeds gekwetst door de vijandige blikken om hem heen zocht Ned bij Mary een meelevend oor. Ze wist waar hij de vorige nacht was geweest: nog heviger dan wie ook zou juist zij moeten briesen van gerechte woede over wat hem was aangedaan. Hij trof haar zittend bij een groot raam in de salon van mevrouw Alice. Ze haalde parels van een van de mooie jurken van haar vrouwe en naaide die op een andere. Mary was een lieflijke jonge vrouw met een wolk van ravenzwart krulhaar en zo'n lief, onschuldig gezicht dat Ned verbaasd was geweest over de hartstocht waarmee ze van het begin af aan zijn kussen beantwoordde. Bovendien had ze het smalste middel dat hij ooit vol genot omarmd had. Aan Mary had hij zijn hart verpand. Nooit meer zou hij zijn vriend Owen Archer plagen met diens toewijding aan zijn vrouw. Ned begreep die nu.
Mary keek naar Ned op, en haar ogen bleken rood van het huilen. Ze snifte. Haar hemelse, nootbruine ogen stonden vol tranen.
Ned liet zich ontzet voor haar op zijn knieën vallen. '0, lieve Mary, huil niet om mij. Die onrechtvaardige beschuldigingen betekenen niets voor me.
Mary legde haar naaiwerk opzij om haar neus te snuiten.
'Zal ik wat wijn voor je halen?' bood Ned aan.
Mary schudde haar hoofd. 'Nee. Ik moet mijn werk afmaken. Van wijn ga ik me prikken, en dan komen er vlekken op de jurk. Je zou dat nooit voorstellen als je ooit de taak had gekregen om bloedvlekken uit fijn weefsel te halen.'
Zijn Mary was altijd praktisch. Lieve hemel, wat hield hij van haar!
Ned pakte haar handen, maar Mary trok ze terug.
'Wat is er?' Ned ging verward op zijn hurken zitten. 'Wijs je mijn troost af?'
'0 Ned, het is allemaal de schuld van je koppige jaloezie, en dat weet je best. Daniel zou nooit zoveel gedronken hebben als jij hem niet bedreigd had. Waarom deed je dat? Dat was helemaal niet nodig. Helemaal niet. Ik zou je gezegd en gezworen hebben dat er niets was om jaloers over te zijn. Daniel was aardig voor me; meer niet. Hij was mijn vriend.' Mary snifte hikkend.
Zijn schuld? 'Hij was alleen maar aardig voor je. hè? Waarom? Waarom was de page van sir William van Wyndesore aardig voor de kamenierster van mevrouw Alice Perrers'?'
Mary bloosde. Haar ogen flitsten van woede. '0. zit dat zo! De laaggeboren kamenierster van mevrouw Alice kan natuurlijk nooit vriendschappelijke gevoelens opwekken bij de knappe jonge page van sir William van Wyndesore.
'Hoe is hij met je bevriend geraakt. Mary? Ik kan geen reden bedenken waarom sir Williams page en mevrouw Alices kamenierster elkaar ook maar tegenkomen.'
Mary hijgde. 'Zelfs nu hij dood is. wantrouw je hem nog! Wat schanda lig. Ned! Wat schandalig!' Ze stond op en haastte zich naar de binnen deur.
Ned rende kreunend achter haar aan en pakte haar elleboog. 'In vre desnaam. Mary. we gaan binnenkort trouwen. Je zou mij moeten troosten als slachtoffer van ongegronde laster. en me niet moeten beschuldigen van iets waarvan je heel goed weet dat ik het niet gedaan heb.'
Mary bleef koppig met haar rug naar hem toe staan en keek naar de grond. Ned hoorde hoe ze haar adem inhield en wist dat ze haar tranen opnieuw de vrije îoop liet Terwille van een vriend'? Hij zou wel gek zijn als hij dat geloofde. Hij liet haar arm los. 'Vergeef me. mevrouw Mary. Er is een misverstand in het spel. Ik dacht dat u van me hield, maar ik zie mijn vergissing in.' Op het geluid van Mary's snikken beende hij de kamer uit. De duivel mocht haar halen, maar ze kon ook zo koppig zijn! Dat was vast de schuld van mevrouw Perrers, vermoedde hij. Die mocht hem niet en had ongetwijfeld andere plannen met haar. Hij moest een manier vinden om Mary uit de dienst van die hoer te krijgen. Hij wou dat Owen Archer niet zo ver noordelijk in York zat. Ned zou zijn raad goed kunnen gebruiken.
© Candace Robb 1996