Sacramentsdag brak zacht en zonnig aan, geheel volgens de gebeden van de gildeleden en van al degenen die zich op de praalwagens van Sacramentsdag in York verheugden. Velen maakten de dage-raad mee, want de opvoeringen begonnen al voor zonsopgang met de zegening van de spelers in de zuilengale rij van de Holy Trinitykerk aan Micklegate, en bij het opgaan van de zon volgde direct het eerste toneelstuk. De avond tevoren waren door banieren met het stadswapen twaalf vaste punten gemarkeerd. Daar zou het publiek zich verzamelen. De meer dan veertig praalwagens zouden zich een weg banen door de straten en bij elke standplaats stilstaan om de wachtende mensen op hun voorstelling te vergasten. Voor de gildeleden en andere spelers werd het een lange dag die pas na middernacht eindigde. Een glorieuze dag waarop de geschiedenis van 's mensen verlossing door Christus' offer - van de val van de engelen tot het Laatste Oordeel - tot leven werd gewekt.
De praalwagen van de mercers had zojuist de statie voorbij de brug over de Ouse verlaten en ging op weg naar die op Saint Helen's Square. Het was de laatste wagen, en daarop werd Het Laatste Oordeel uitgevoerd. De jonge Jasper de Melton dribbelde met zijn vetpot met de wagen mee en probeerde alle aanblikken en geluiden van die dag in zich op te nemen en tegelijk naar het gekraak van de wagenwielen te luisteren, want dat was het teken voor een flinke lik vet. Hij had een belangrijke taak. Als de grote houten wielen niet voortdurend werden ingevet, kwamen ze op de smalle, hobbelige straatjes algauw tot stilstand. Jasper was trots op zijn verantwoordelijkheid. En niet minder op het toneelstuk van het mercersgilde, het rijkste gilde van York. Dit was een stap naar zijn aanvaarding als leerling in het gilde, een eer die hijzelf opwindend vond en zijn moeder vervulde met trots en hoop op een beter leven voor haar zoon dan zij als weduwe hem had kunnen geven. Voor deze belangrijke dag had Kristine de Melton een nieuw leren wambuis voor hem gemaakt.
Jasper zou zijn moeder straks zien. Ze had beloofd bij de statie op Saint Helen's Square voor de York-taveerne op hem te wachten. Terwijl de wagen naar het plein bolderde, zag Jasper een man met een rood gezicht naar de wagen komen en om meester Crounce roepen. De flappen van de spelerstent gingen open en de lange, schrale Will Crounce sprong van de wagen af. Hij liep Jasper bijna omver, ging naar de zwaargebouwde man en sloeg hem op de schouder.
'Waarom zit je niet op de praalwagen in Beverley, beste vriend?' vroeg Crounce.
'Ik?' De zwaargebouwde man lachte. 'Me twaalf maal op één dag schor schreeuwen? Dat is niets voor mij.'
De twee draaiden zich om en liepen met hun hoofden dicht tegen elkaar weg. Jasper was verbaasd. Stel je voor dat meester Crounce de tijd vergat en te laat kwam voor zijn optreden in het toneelstuk! Hij speelde Jezus. Iedereen zou zijn afwezigheid merken. Bij die gedachte alleen al werd Jasper zenuwachtig, want meester Crounce was de man die hem vandaag betaalde en over een paar weken als leerling aannam. Schande voor hem was ook schande voor Jasper. 'Hé. joh!' riep een oudere speler. 'Dat wiel piept als een speenvarken!'
Jasper bloosde en ging gauw weer aan zijn werk. Hij moest zijn aandacht bij de wielen houden. Zich zorgen maken over andere mensen gaf alleen maar problemen.
Om niet onder de wielen te raken liep Jasper haastig voor de wagen langs en zag dat de mercers bijna aan de beurt waren. Tegen de zon in turend speurde hij de menigte buiten de York-taveerne af. Eerst zag hij zijn moeder niet. Maar daar stond ze. Ze zwaaide en riep hem. Hij zwaaide terug en was blij dat hij hard aan het werk was geweest toen ze hem zag. Hij had haar niet graag teleurgesteld.
Knarsend en bevend kwam de lange, zware wagen tot stilstand. Een klein groepje stadsmuzikanten speelde een paar maten en alle spelers kwamen de tent uit. Iedereen behalve meester Crounce. Jasper beet op zijn nagels. Meester Crounce moest de muziek gehoord hebben, maar waar was hij? De spelers gingen op hun plaats staan en begonnen al over zijn afwezigheid te mompelen, maar eindelijk klom hij van achteren de wagen op en besteeg hij het hoge, wankele podium waarop hij na zijn eerste toespraak uit de hemel naar de aarde afdaalde.
De menigte zweeg toen God de Vader begon. Voor die rol kozen ze altijd een acteur met een basstem.
Toen ik voor 't eerst de wereld schiep
met haar wouden, wind en zeeën
en alles wekte wat nog sliep,
bezag ik het geheel tevreeën.
De stem van de speler rommelde als een verre donder. Zo moet God klinken, dacht Jasper.
Engelen, geeft gez wind het teken
en roept eenieder voor de troon.
De engelen bliezen op hun trompetten.
Jasper begon te rillen bij de gedachte dat ze vandaag een voorproefje van het Laatste Oordeel kregen. Hij zwoer een goed leven te zullen leiden, zodat hij deze oordeelsdag niet hoefde te vrezen zoals de Boze Zielen.
Ons lot is branden in de hel
om redenen van onze zonden
en boeten in de vlammen fel
want daarheen heeft God ons gezonden.
Terwijl de derde engel aan het woord was, keek Jasper op naar Jezus, die nu eindelijk aande beurt was. Vanuit de hemel zei Jezus: 'Dees' smarteljke wereld komt ten eind...'
Iemand in de menigte giechelde. Jasper keek rond en zag een knappe vrouw naast twee mannen staan: de zwaargebouwde man die meester Crounce had geroepen, en nog iemand anders. Het was de vrouw die gegiecheld had. De zwaargebouwde man keek haar woedend aan; de andere man fronste zijn wenkbrauwen en boog zich om iets tegen haar te zeggen.
Jasper vroeg zich af waarom die vrouw God lasterde. Want hoewel meester Crounce, een gewone sterveling en zondig als ieder ander, alleen maar een rol speelde, was hij vandaag toch Jezus.
Maar Jasper was het incident al snel vergeten toen Jezus de woorden sprak: De hele mensheid zal 't aanschouwen,' en het podium door rookwolken heen krakend begon af te dalen. Dat was Jaspers favoriete scène. Als de rook optrok, stond meester Crounce met afgezette kap als Jezus op het grote podium. En dan kon Jasper zijn ogen zien glanzen om de heiligheid van zijn rol. In die scène onderging meester Crounce een gedaanteverandering. 'Leerlingen, al mijn dierbaren...'
Jasper vond zijn meester prachtig. Hij vond het heerlijk om naar hem te luisteren. Aan het eind van Jezus' laatste woorden moest hij helaas weer alle wielen smeren voor hun vertrek. Hij spande zich in om de laatste regels te horen.
De zondaars die het niet berouwden,
zingen nu van smarten groot.
Maar wie tijdig 't licht aanschouwde,
moge rusten in Mijn schoot.
Toen Jasper bij het laatste wiel was, keek hij naar waar zijn moeder had gezeten. Ze was weg. Dat vond Jasper vreemd. Hoe had ze kunnen weggaan terwijl meester Crounce nog aan het woord was? En toen zag hij dat ze, door twee buren ondersteund, werd weggebracht. Ze schuifelde en haar hoofd hing opzij. Heilige Maria, Moeder van God. Wat was er gebeurd? Die aanblik kwelde Jasper de hele rest van de dag. Zelfs de aanblik van meester Crounces glanzende ogen kon zijn angst niet wegnemen.
De volgende ochtend kwam Jasper pas vlak voor zonsopgang thuis. Zijn moeder lag te slapen; buurvrouw Fletcher waakte bij haar. Het raamloze kamertje stonk naar bloed en zweet; Jasper werd bang van die geur.
'Wat is er gebeurd?' vroeg hij.
Mevrouw Fletchers grote ogen staarden Jasper droevig aan. 'Een vrouwenkwaal. Ze kreeg er in de menigte last van. Een vrouw in haar toestand had daar nooit tussen mogen staan.'
Blijft ze leven? vroeg de jongen zich af, maar hij kreeg die vraag niet over zijn lippen.
Mevrouw Fletcher stond op. 'Ik ga maar even slapen. Wees een brave jongen en ga bij haar liggen. Dan word je wakker als zij wakker wordt, snap je?' Ze klopte hem op zijn hoofd. 'Ik kom weer kijken als ik vanochtend mijn eigen stelletje te eten heb gegeven.
Jasper trok zijn nieuwe wambuis uit; het moest schoon blijven voor zijn gesprek met de gildemeester van de mercers. Hij borg het wambuis in een kleine kist waarin zijn moeder haar schatten bewaarde: een uitgesneden houten kom en de ingewikkeld beschilderde handboog die van Jaspers vader was geweest. De jongen klom doodmoe op de strozak naast zijn koortsige moeder en viel in slaap.
Hoewel de kamer geen ramen had, werd Jasper van de stadsgeluiden wakker. De muren waren dun. 's Winters verdween de warmte erdoor en 's zomers drong de hitte erdoor binnen. Klokken luidden, luiken werden dichtgeslagen, karren ratelden voorbij, mensen begroetten elkaar schreeuwend, een hond blafte alsof hij geslagen werd. Jaspers moeder bleef met de dekens tot haar kin opgetrokken slapen. Jasper deed zijn behoefte in de emmer in de hoek, bracht hem via de buitentrap naar beneden en leegde de nachtelijke uitwerpselen in de goot die midden over straat liep. Als hij gesnapt werd, kreeg hij een boete, maar hij moest zo snel mogelijk weer bij zijn moeder terug zijn. Water halen deed hij wel als mevrouw Fletcher terugkwam.
Even voor het middaguur deed mevrouw De Melton haar ogen open. 'Ik zag je inje wambuis,' zei ze. Haar lippen bewogen zo weinig dat hij haar woorden meer raadde dan hoorde. Ze wist bedroefd te glimlachen. 'Trots op mijn jongen.'
Jasper beet op zijn lip en kreeg een brok in zijn keel. Zijn moeder was stervende. In zijn achtjarige leven had hij genoeg doden gezien om dat te weten. 'Ik wou op mevrouw Fletcher wachten voordat ik water ging halen,' zei hij. 'Hebt u dorst? Vindt u het goed als ik het nu haal en u even alleen laat?'
'Ik blijf nog wel even liggen.' Alweer die droeve glimlach.
Jasper pakte de waterkruik, liep naar buiten en wreef met zijn mouw over zijn ogen om alle tranensporen uit te wissen. Opgelucht kwam hij op de trap mevrouw Fletcher tegen.
'Brave jongen. Ik loop even naar boven om te kijken of ze iets nodig heeft.'
's Avonds begon mevrouw De Melton zuchtend te woelen. Haar koorts steeg.
'Jasper,' fluisterde ze tegen haar zoon, 'ga naar de York-taveerne. Zoek Will. Hij heeft daar een vriend en is er vast.'
Jasper keek naar mevrouw Fletcher, die knikte. 'Ik pas wel op je moeder. Ga Will Crounce maar halen. Hij hoort hier te zijn.'
De York-taveerne was niet ver weg. Jasper gluurde naar binnen en zag meester Crounce bij de dikke man zitten die gisteren vanuit de menigte naar hem had geroepen. Ze hadden ruzie. Jasper vond dit een slecht moment om hen te onderbreken en liep weg. Hij wilde even wachten en dan nog eens kijken of ze het hadden bijgelegd. Hij liep vlak langs iemand met een kap op, die even buiten de deur onder de lantaarn stond. Afgaande op de geur dacht Jasper dat het een vrouw was. Hij stak de straat over en ging in het donker onder een overhangende bovenverdieping zitten.
Niet lang daarna verscheen meester Crounce onvast in de deuropening. Zijn gezicht was vertrokken van woede. Jasper had meester Crounce nog nooit zo zien kijken. De lange man kwam zwaaiend de deur uit. Jasper aarzelde uit angst en liep daardoor zijn kans mis. De vrouw met de kap stak een witte, tere hand naar meester Crounce uit. Deze draaide zich om, uitte een blij verraste kreet en liep met haar weg.
Jasper begreep de verhouding van zijn moeder tot meester Crounce niet helemaal maar vermoedde wel iets. En als hij gelijk had, had deze geheimzinnige vrouw zijn moeder verdrongen. Moest hij hen dan toch volgen? Wat zou meester Crounce daarvan zeggen? Wat kon Jasper zeggen in aanwezigheid van zijn nieuwe leman?
Hij besloot hen te volgen. Misschien namen ze straks afscheid en kon Jasper met meester Crounce praten zonder de man in verlegenheid te brengen.
Het paar liep door de poort van de munsterkerk. Kennelijk woonde de vrouw binnen de heerlijkheid. Misschien werkte ze voor de aartsbisschop of een van de aartsdiakens. Voor Jasper was het passeren van die poort geen probleem. Hij werkte vaak een dag voor de metselaars en timmerlieden. Zijn vader was lid van het timmerliedengilde geweest. Zij hadden voor de kamer betaald waar Jasper en zijn moeder woonden en gaven hem af en toe werk. De wachters kenden Jasper allemaal, en de man die vanavond dienst had, kende hem heel goed.
'Kleine Jasper. Nog laat op straat, hè?'
'Mijn moeder is ziek geworden.' legde Jasper uit. 'Ik moet hulp halen.'
'Juist ja. Dat heb ik gehoord. Tijdens de praalwagens, hè?'
Jasper knikte.
De wachter gebaarde dat hij door mocht lopen.
Jasper bleef in de schaduwen van de grote munsterkerk naar de voetstappen van het paar staan luisteren. Ze waren linksaf geslagen, naar de westelijke ingang. Wat een vreemde richting. Daar lagen de binnenplaats van de kerk, de gevangenis, het aartsbisschoppeljk paleis en de kapel. Misschien was ze een dienstmeid uit het paleis. Jasper probeerde hen haastig in te halen. In die richting kende hij de weg niet zo goed. Hij hield niet van het donker hier. Rechts hoog boven hem doemde de munsterkerk op - een optorenend stuk duisternis waartegen windvlagen en wegschietende nachtdieren echoden. Het tweetal dat hij volgde, liep de hoek om naar de grote, westelijke voorgevel. Jasper rende de torens voorbij en struikelde bijna in zijn angst om alleen te blijven op een plek die je na zonsondergang maar het beste aan God en zijn engelen kon overlaten.
Toen het tweetal de noordwestelijke hoek naar de binnenplaats omging, begon iemand plotseling te lachen - wat griezelig echode. Jasper bleef staan en sloeg een kruis. Het gelach kwam niet van meester Crounce of de dame, en klonk evenmin vriendelijk. Meester Crounce wankelde. Tot Jaspers verbazing maakte de vrouw zich plotseling van meester Crounce los en rende terug in Jaspers richting, die de schaduwen van de grote munsterkerk in dook om niet op spioneren te worden betrapt.
Opnieuw dat gelach.
'Wie is daar?' vroeg Crounce, maar zijn stem klonk door de drank zo brabbelend dat het nauwelijks een uitdaging was.
Vanuit de duisternis stortten zich twee mannen op Crounce en sloegen hem tegen de grond. De ene boog zich over de gevallen man, en Crounces stem verstierf gorgelend en zuchtend. De andere aanvaller richtte zich op, hief een zwaard en liet het met schrikwekkende kracht neerkomen. Hij bukte zich, raapte iets op en rende toen met de andere aanvaller weg.
Jasper liep haastig naar de vriend van zijn moeder. 'Meester Crounce?' De man antwoordde niet. Jasper knielde en voelde aan Will Crounces gezicht. De ogen stonden open en het rook sterk naar bloed. 'Meester Crounce?' De jongen stak zijn hand uit om die van de man te pakken, maar er was geen hand, alleen een warme, misselijkmakende, natte plek. Sprakeloos van schrik rende Jasper naar de wachtpost.
'Wat is er, jongen? Heb je soms een engel gezien?'
Jasper hijgde en boog toen kotsend dubbel.
Nu schrok ook de wachtpost. 'Wat is er?'
Jasper veegde zijn mond af met een pluk gras en haalde een paar keer diep adem. 'Meester Crounce. Ze hebben hem vermoord. Ze hebben zijn hand afgehakt.'
Toen het daglicht zijn bed in de York-taveerne bereikte, vloekte Gilbert Ridley en draaide zich om. Zijn hoofd bonsde. Te veel bier, en o, wat had hij een spijt van zijn bittere ruzie met Will Crounce gisteravond. Als hij de ochtend overleefde, zou hij naar de munsterkerk gaan en boete doen voor zijn zondige trots en woede. Ridley draaide zich om en hield zijn adem in omdat het gebons vonken door zijn gezichtsveld joeg. Karren ratelden voorbij, klokken luidden. Vervloekte stad. En dat vervloekte bier van Tom Merchet, hoewel zo voortreffelijk...
Een geur trok Ridley's aandacht naar het midden van de kamer. Daar lag iets. Midden in de kamer. Hij kon er makkelijk over struikelen. Hij kon zich niet herinneren wat hij daar had laten vallen. Vlees? Kennelijk had hij de deur op een kier laten staan. Wat moest hij dronken zijn geweest dat hij al onder zeil was voordat hij de geluiden van beneden had buitengesloten! Ridley deed zijn ogen dicht. Hij voelde zich niet goed. Natuurlijk was zijn blaas vol bier zo pijnlijk. Hij ging zitten, legde een hand op zijn hoofd en de andere op zijn buik en wachtte tot de kamer om hem heen tot rust kwam. Dat ding op de grond. Dat leek allemachtig wel... 0 lieve God, het was een hand. Een afgehakte hand. Ridley stoof naar de nachtpot en gaf over.
© Candace Robb 1994