De gevleugelde non

Proloog

Juni 1365

Joanna hees haar reiszak op en sjokte door de Noordbarrière. Daarmee liep ze Beverley in, terwijl de klokken van de grote Saint John-kerk luidden. Ze was al sinds zonsopgang onderweg. De zon stond nu hoog aan de hemel en het grove weefsel van haar habijt schuurde langs haar klamme huid. De straten van de stad kronkelden als een slang langs de Beck en Walkerbeck. Onder het lopen ving Joanna tussen de huizen af en toe een glimp van die snel stromende rivieren op. Ze stelde zich voor dat ze haar kleren uitgooide en zich in het koele, ruisende water liet zakken, zoals zij en haar broer Hugh in de rivier bij hun huis deden toen ze nog klein waren.

Het was klam en drukkend heet. Het was een zonnige en droge dag geweest, maar de hele zomer had het gestortregend en de ongeplaveide straten waren doorweekt. Waar de zon tussen de huizen scheen, steeg damp op, en daardoor ontstond een mist die Joanna's blik vertroebelde en haar een dromerig, verwarrend gevoel gaf. De huizen leken te bewegen in de hitte; contouren vervaagden en wervelden. Ze omklemde haar medaillon van Maria Magdalena en fluisterde al lopend gebeden.

Uit een taveerne kwam het vrolijke geluid van lachende en zingende mensen. Dat klonk verleidelijk. Ze wilde niets liever dan naar binnen gaan en het stof van de weg met pittig bier wegspoelen, maar als alleen reizende non mocht ze niet op die manier de aandacht trekken.

Niet ver voorbij de taveerne viel haar blik op een kerkhof met een beschaduwde bron. Daar kon ze zich even veilig terugtrekken. Ze glipte door de open poort en zette haar reiszak in de schaduw van een eik. Een wortel van die boom stak boven de modder uit. Ze keek om zich heen om te zien of niemand haar zag, deed haar sluier, kap en halsbedekking af, vouwde ze netjes op haar reiszak, maakte haar medaillon los en legde dat erbovenop. Toen spatte ze water over haar gezicht, hoofd en hals.

Ze hoorde iets en draaide zich om. Een haveloos geklede jongen stond met het medaillon en de ketting in zijn handen boven Joanna's reiszak. Ze schreeuwde. De dief zette het op een lopen.

Vervloekte bengel! Ze pakte haar rokken bij elkaar en rende achter de dief aan. 'Geef mij het medaillon, duivelsjong! Vervloekt zij je moeder en je hele familie!' Ze stortte zich op de jongen en liet hem struikelen. Hij trapte haar in het gezicht, rukte zich kronkelend los, smeet de ketting naar haar toe en nam de benen.

Joanna werkte zich op haar knieën. Haar habijt zat onder de modder en ze kroop onhandig naar haar zilveren schat. Lieve hemel, nee! De ketting bleek stuk, het medaillon was weg. Met bonzend hart kroop ze door de modder en planten op zoek naar haar kostbare Maria Magdalena-medaillon. Toen ze zes jaar geleden voor het eerst naar Beverley reisde, had haar broer Hugh het haar gegeven. Voor haar was het een kostbaar bezit en alles wat er nog restte van haar geliefde broer. En nu had die bengel het gestolen! Tranen van woede en ergernis vertroebelden haar blik en ze barstte in snikken uit.

'Mijn kind, waarom heb je zo'n verdriet?' Een priester boog zich over Joanna heen en keek haar met nieuwsgierige bezorgdheid aan.

Haar hand schoot naar haar onbedekte hoofd. 'Benedicte, eerwaarde.'

'Wat is hier gebeurd, mijn kind?'

'Ik heb sinds dageraad gereisd en de verleiding van uw bron was te groot. Ik dacht dat u me wat water niet zou misgunnen.' Hij keek haar vriendelijk aan, en ze glimlachte.

'Natuurlijk mag je drinken. Ik zie dat je het habijt van een benedictines draagt. Waar zijn je reisgenoten? Je reist toch niet alleen?'

Joanna kwam overeind. 'Ik ben een beetje van ze afgedwaald. Ik moet me haasten, anders haal ik ze niet meer in.' Hij mocht niet mee, want dan ontdekte hij alles.

Hij gebaarde naar haar natte, vuile rok. 'Waarom zat je in de modder?' Ze wierp een ontzette blik op haar habijt en probeerde de modder weg te vegen, maar smeerde die alleen maar uit. Het was niets, eerwaarde. God zegene u.' Ze tastte naar haar kap.

'Misschien moet je even binnenkomen omje te drogen. Als je me vertelt waar je reisgenoten naar toe gaan, kan ik iemand achter ze aansturen om te vertellen waar je bent.'

Joanna pakte haar reiszak. 'Dat is niet nodig, eerwaarde. Dank voor het water. God zij met u.' Ze vluchtte de poort door en rende de straat op, maar lette niet op de omgeving. Wat was ze dom geweest!

Plotseling stond ze voor een blinde muur. Verward keek ze om zich heen. Lieve Jezus, ze was verdwaald. Ze bedwong haar tranen van moeheid, ergernis en angst. Het medaillon was weg, en niets beschermde haar meer. Ze ademde diep in en probeerde haar paniek te onderdrukken. Ze moest de weg zien terug te vinden, want vóór zonsondergang moest ze bij Will Longfords huis zijn.

Met enige moeite bereikte ze ten slotte de Noordbarrière weer en begon ze opnieuw. De middag was al flink gevorderd. Aan de hemel ontstonden stapelwolken die de schaduwen in de smalle straten nog duisterder maakten. Er hing een zware, drukkende sfeer. Joanna's hart bonsde. Het leek wel of ze al een eeuwigheid gelopen had. Eindelijk gingen de hemelsluizen open, niet met een verfrissend buitje maar met een stortregen die de straten in modderrivieren veranderde. Joanna weigerde te schuilen. Ze mocht geen enkel spoor achterlaten. Haar habijt plakte aan haar lichaam en haar sluier kletste tegen haar gezicht. Bij elke stap moest ze vechten om haar voeten uit de modder te trekken. Ze huilde om het verloren medaillon, maar sjokte voort. Ze kwam van zo ver dat ze zich niet door een zomers noodweer liet verdrinken.

Eindelijk nam de stortbui tot een milde regen af en herkende ze de weg. Een hoek om, en daar was het. Het huis met de witgekalkte deur. Will Longfords huis.

Een mager dienstmeisje deed open en staarde naar Joanna's verfomfaaide kleren. 'U hebt vast een verkeerde weg genomen, zuster. Dit is geen huis voor nonnen.

Joanna probeerde haar inzakkende kap en sluier recht te krijgen. Ik wil graag meester Longford spreken over een zakelijke kwestie.'

Het meisje krabde met een gekloofde hand over haar wang. 'Zakelijk? Ik waarschuw maar vast, maar mijn meester doet met vrouwen maar één soort zaken, en daar is 's middags niet het moment voor. Hij brengt zijn onsterfelijke ziel heus niet in gevaar met bruiden van Christus.

Joanna stak haar hand uit, greep het schort van het meisje en trok haar naar zich toe. De geschrokken blik op het gezicht van het meisje was bijzonder prettig. 'Zeg tegen je meester dat ik een schat te verkopen heb.' Het meisje knikte, 'ik wou u alleen maar waarschuwen.'

Joanna liet haar los.

'Wie kan ik zeggen dat u bent?'

'Vrouwe Joanna Calverley uit Leeds.'

Het meisje liep haastig weg.

Even later viel een schaduw over de deuropening. Will Longford was een enorme, ruigbehaarde man. Zijn zwarte haar vertoonde tegenwoordig plukken grijs en zijn gelittekende kaak was grotendeels door een grijze baard bedekt — hij was in die zes jaar ouder geworden. Zijn lange hemd sleepte over de grond, maar Joanna wist wat het verborg: een houten stok waar zijn linkerbeen had moeten zitten. Longford leunde tegen het kozijn en vouwde zijn armen over zijn borst. Zelfs als je wist dat hij invalide was, was hij indrukwekkend.

'Ben u een Calverley? Uit Leeds?' Hij gromde eerder dan dat hij praatte. Zijn donkere ogen glansden vijandig.

'Ik vergezelde mijn broer Hugh toen hij u zes jaar geleden de arm van Sint Sebastiaan verkocht.'

De donkere ogen gingen tot spleetjes dicht. 'Juist ja. Het kleine zusje.' Longford krabde zijn baard en keek haar aandachtig aan. 'Sint Sebastiaan. Zijn arm, zei u?' Hij grijnsde. 'Komt u me andere delen van Sebastiaan aanbieden? Zijn andere arm soms?'

Joanna rechtte haar rug. De nadruk op dat kléine zusje noch de valse grijns stond haar aan. 'Ik heb iets nog veel heiligers bij me. De melk van de Maagd. Uit het Saint Clement-klooster in York.'

'De melk van... Godsakkerloot, wat is die klootzak van plan?' Longford bekeek haar van onder tot boven. 'Bent u een non van het Saint Clement?'

'Ja. Dit heeft niets met Hugh te maken.'

Longford kwam een stap naar voren en keek links en rechts de straat af. 'Uw soort reist altijd in gezelschap. Waarom bent u alleen?'

Joanna's knieën knikten van kou en vermoeidheid. 'Mag ik binnenko men en me bij uw haard drogen?'

Longford gromde en deed een pas opzij. 'Kom maar binnen voordat God u verdrinkt.'

Hij deed de deur achter haar dicht. 'Hoe vergaat het uw broer Hugh?'

'Ik heb al zes jaar niets van hem gehoord, maar ik hoop hem te vinden.'

'Juist.' Opnieuw krabde Longford zijn baard. 'Ik herinner me iets over u. Wat was dat ook weer? U was op weg om bij uw tante het huishouden te leren. U was toen verloofd.' Hij raakte haar sluier aan. 'Ik dacht dat u verloofd was met een sterfelijke bruidegom, niet met de Heer onze God.' Joanna deed een stap naar achteren. De nabijheid van die man verwarde haar. 'Ik heb me bedacht.'

'Mmm. Als u me die relikwie aanbiedt, doet u dat vast niet namens het klooster. U bedenkt zich nog al eens, hè?'

Joanna aarzelde. Het leek te vroeg om al ter zake te komen, maar ze had weinig keus. 'Ik heb de relikwie gestolen. Ik heb geld nodig om te reizen. Ik wil mijn broer Hugh zoeken.'

Longford trok een wenkbrauw op. 'Werkelijk?'

Hij gebaarde dat ze bij het vuur moest gaan zitten. 'Wijn, Maddy!' schreeuwde hij. Hij leunde achterover en maakte een hoofdgebaar naar Joanna's bemodderde kleren. 'In die vochtige kleren krijgt u het nooit warm. Maddy leent u wel wat droogs.' Hij grijnsde naar haar.

Joanna bedankte hem, maar van die grijns ging niets geruststellends uit.


Het had dat jaar veel geregend en augustus was al even nat. John Thoresby staarde somber uit het raam naar de modderige rivier de Ouse, die langs het laagste deel van de tuin voorbijschoot. Zware regen roffelde op de bloemen. Ze dreven slap in de plassen die in hun bedden ontstaan waren. Van alle paleizen die Thoresby als aartsbisschop van York tot zijn beschikking had, was hij het liefst in Bishopthorpe. Maar deze zomer leek het eerder een ark dan een paleis. In bijna elke kamer lekte het plafond en het water stond zo hoog dat de kelder dreigde onder te lopen. Thoresby was haastig naar Bishopsthorpe teruggekeerd om de Petrusmarkt te leiden, zich verheugend op de kans om het eindeloze politieke geharrewar rond de koninklijke bruiloft achter zich te laten. Hij had daardoor te lang op Windsor moeten blijven en hing zijn kanseliersketen maar al te graag een paar maanden aan de wilgen om zich weer aan de zaken van God te wijden, maar de regen had de jaarmarkt vrijwel onmogelijk gemaakt. Hij voelde zich in dit grote. lekkende paleis gevangen.., en niemand had goed nieuws voor hem. Ook niet de twee mannen die bij het vuur zaten.

Een van hen was zijn neef, Richard de Ravenser, kapittelproost van de munsterkerk in Beverley. De man had vooruitstekende botten, dieplig gende ogen, een sterke kin en een gezicht dat knap zou zijn geweest als er wat meer vlees op had gezeten. Net alsof Thoresby naar zijn eigen spiegelbeeld keek, maar dan vele jaren geleden. Leek zijn zuster soms erg op hem? Of had ze te aandachtig naar hem gekeken toen ze Richard onder haar hart droeg?

Ravenser kwam met een lastig bestuurlijk probleem. Een non uit het Saint Clement-klooster was weggelopen en de priores had het incident niet gemeld. Een onverantwoordelijke priores kon een eeuwige stroom problemen geven.

Tegenover Thoresby's spiegelbeeld zat een donkerharige, breedgeschouderde man met een lapje voor zijn oog. Owen Archer had de hele maand juli de moordenaars van een textielhandelaar gezocht wiens lijk in de heerljkheid van de munsterkerk was gevonden. Zijn rapport was negatief ... en dat stemde mismoedig, want als Archer de schuldigen niet kon vinden, waren ze onvindbaar.

Maar Ravenser en Archer konden geen beter nieuws brengen. Thoresby besloot zijn somberheid zo goed mogelijk van zich af te zetten. 'Kom, heren. Het wordt tijd dat we de andere dinergasten opzoeken.'

Owen keek Thoresby onderzoekend aan. 'Wilt u me echt met uw vrien den laten meeëten, monseigneur?'

Thoresby snoof. 'Dat zijn geen vrienden, Archer. Ze hebben vanaf Wind sor met me mee gereîsd. Nicholas de Louth en William van Wykeham zijn kanunniken van Beverley. Ze gaan met Richard terug want ze moeten daar een bepaalde tijd verblijven. Hun proost is mijn neef, en ik kon ze mijn gastvrijheid natuurlijk niet weigeren.'

Ravenser maakte een buiging naar zijn oom. 'Daarvoor ben ik dankbaar, monseigneur. Ik weet dat Wykeham in uw huis eigenlijk niet welkom is.' Thoresby trok zijn kanseîiersketen omhoog en liet hem op zijn borst vallen. 'De man die me van dit gewicht probeert te bevrijden? Misschien zou ik hem daarvoor dankbaar moeten zijn, maar ik moet bekennen dat ik alleen met opeengeklemde tanden naar hem kan glimlachen. Bij mij is de macht een gewoonte geworden.'


Nicholas de Louth en William van Wykeham stonden bij de haard in de grote zaal. Ze warmden hun voeten bij het vuur en de innerlijke mens met wijn. Beide mannen verbleven meestal aan het hof, Nicholas de Louth als schrijver in dienst van prins Edward, William van Wykeham als Zegelbewaarder en koning Edwards hoofdarchitect. De gezette. elegant geklede Louth babbelde heel vriendschappelijk met Wykeham. die zich onopval lend en sober in grijze en bruine tinten kleedde en alleen door zijn ongewone lengte opviel. Hij had een zachte stem en een ernstige, doelgerichte blik die sommigen een bewijs van intelligentie vonden.

Toen de vijf mannen aan tafel gingen zitten, zei Thoresby: 'Vergeef me als ik vanavond wat afwezig lijk, heren. Ik heb zojuist gehoord dat een non uit het Saint Clement-klooster uit York in Beverley aan koorts is overleden. De non had geen verlof om te reizen, maar verdween op de feestdag van Sint Etheldreda.' Hij zag Louth en Wykeham tellen hoeveel dagen er sinds 23 juni verlopen waren. 'Toen ze stierf, werd ze al meer dan een maand vermist, en de eerwaarde moeder had de verdwijning van Vrouwe Joanna niet gemeld maar goedgepraat met een verhaal over een ziekte en herstel thuis.'

'Was ze bij haar vlucht al ziek?' vroeg Wykeham.

'Nee, hoewel ze blijkbaar een bleekte vertoonde die iemand voor een ziekte had kunnen aanzien. Dat kwam omdat ze de hele lente had gevast en gebeden.'

'Juist ja. Liefdesverdriet,' zei Louth. Hij glimlachte in zijn roemer wijn.

'Integendeel,' zei Thoresby. 'Naar zeggen van vrouwe Isobel was de non van het soort dat door een overmaat aan devotie dichter hij God hoopt te komen.'

Het gezelschap zweeg terwijl dienaren het visgerecht opdienden. Toen ze verdwenen, schudde Ravenser zijn hoofd. 'Dat is een grote tegenstrijdig heid in het verhaal, monseigneur. Een toegewijde non loopt niet weg.'

'Waar in Beverley?' vroeg Louth, die kennelijk zijn eigen gedachtengang volgde.

Thoresby beduidde zijn neef met een hoofdknik om zijn verhaal te ver volgen.

'Een man nam haar gastvrij in zijn huis op toen ze op straat voor zijn deur inzakte. Ze kreeg hoge koorts en stierf. De vicaris van de Mariakerk gaf toestemming om haar direct te begraven uit angst dat ze de lucht zou vergiftigen.'

'In Beverley hebben ze af en toe wat opwinding nodig. Anders slapen ze helemáál in,' zei Louth met een vrolijke grijns. Hij zat tevreden te eten en had zijn ogen half dicht. Hij was duidelijk iemand die van eten en drinken hield, en zeker van het voortreffelijke voedsel dat in Thoresby's huishouding werd opgediend. 'Wie was de brave ziel die haar in huis nam?'

'Will Longford.'

Louth boog zich voorover, plotseling een en al aandacht.

'Longford? Een éénbenige beer van een man?' Hij depte het vet van zijn kin.

Ravenser haalde zijn schouders op. 'Ik heb niet de eer hem te kennen.'

Thoresby's belangstelling was gewekt. 'Kent u hem, sir Nicholas?'

'Ik heb hem een keer voor de prins moeten ondervragen,' zei Louth. 'Hij heeft onder Du Guesclin in de Vrijkorpsen gevochten.'

'Een rare Barmhartige Samaritaan,' zei Owen. 'Wat zou die man ertoe gebracht hebben om een zieke non te verplegen?'

Ook Thoresby vond dat eigenaardig. De Vrijkorpsen waren bendes afvallige soldaten zonder trouw aan een land. De meesten waren aan hun lot overgelaten Engelse soldaten die het Franse platteland terroriseerden en de doodsbange bewoners beschermingsgeld afpersten. Een hoogst onwaarschij nlijke bron van menslievendheid.

Louth trok een wenkbrauw op. 'Een vreemd soort medelijden bij iemand die aan de overkant van Het Kanaal waarschijnlijk nonnen heeft verkracht en vermoord.'

Ravenser knikte. 'Ze zal er wel zielig hebben uitgezien.' Zijn houding tegenover Louth drukte ongeduld over diens gedrag uit. Thoresby wist dat zijn neef Louth een veelvraat en een dwaas vond.

Wykeham zat nadenkend met een stuk brood in zijn hand. Thoresby vroeg zich af waaraan de man dacht. Wykeham voelde de blik van de aartsbisschop op hem gericht en wendde zich tot zijn gastheer. 'Wat voerde haar eigenlijk naar Beverley?'

Thoresby glimlachte vluchtig. 'Een uitstekende vraag waarop ik het antwoord helaas schuldig moet blijven.'

'Een onaangenaam verhaal.'

'Misschien kan haar familie ons inlichten,' opperde Louth. 'Hoe heette ze?'

'Joanna Calverley,' zei Thoresby. 'Ik heb vrouwe Isobel de Percy gevraagd haar familie op de hoogte te stellen. Misschien komt ze iets te weten.'

'Uit Leeds, zei u?' vroeg Louth.

Ravenser knikte.

'Wat vreemd,' zei Louth fronsend. 'Waarom vluchtte ze naar Beverley en niet naar Leeds?'

'Een goede vraag.' Thoresby nam een slokje wijn. Hier stak meer achter dan alleen een weggelopen non. Dat voelde hij in zijn botten. Er kwamen nog twee vleesgerechten op tafel en de anderen sneden prettiger onderwerpen aan, maar Thoresby bleef broeden.

Toen de dienaren afruimden en de brandewijn inschonken, kwam Thoresby op de kwestie terug. 'Waarom stelt de prins belang in Longford, sir Nicholas?'

Louth tikte met zijn vingers op zijn beker en keek het gezelschap rond. Hij vroeg zich af hoeveel hij mocht zeggen. 'Du Guesclin is tegenwoordig als kapitein in dienst van de Franse koning Karel. Prins Edward wil graag alles te weten komen wat hij kan over een man die hij onvermijdelijk op het slagveld tegenover zich krijgt.'

'En was Longford behulpzaam?' vroeg Ravenser.

Louth lachte. 'Behulpzaam? Als u hem kende, zou u dat niet vragen. Will Longford is een glad heerschap die veel te verbergen heeft. Hij heeft ons natuurlijk wel iets verteld, maar niets dat Du Guesclin in opspraak kan brengen.'

Owen boog zich voorover en keek Louth met zijn goede oog aandachtig aan. 'U zocht dus niet alleen informatie.'

Louth voelde zich onder Owens doordringende blik niet op zijn gemak. 'Nee, ik laat het huis bewaken.'

Dat vond Wykeham belangwekkend. 'Hebt u enig idee wat hij voor Du Guesclin doet?'

Louth haalde zijn schouders op. 'Ik kan niets bewijzen. Maar mannen die voor onze koning zouden hebben kunnen vechten, zijn scheep gegaan naar het vasteland om zich bij Du Guesclin aan te sluiten.'

'En daarmee verzwakken ze ons.' Thoresby knikte. 'U laat dus het huis bewaken, en toch heeft niemand de komst van een alleen reizende non gemeld.'

Louth zuchtte. 'Ik weet het. U vraagt zich af wat mijn mannen nog meer over het hoofd hebben gezien. Dat vraag ik me net zo goed af.'

Wykeham zag Thoresby's peinzende blik. 'Denkt u dat er meer achter de dood van die non steekt dan een onfortuinlijke wegloopster die aan koorts bezweken is?'

Thoresby beantwoordde de blik van de man die zich in een positie manoeuvreerde om het kanselierschap van hem over te nemen, misschien waren die ogen inderdaad intelligent. Hij haalde zijn schouders op.

'Een non neemt de benen naar een liefje. Zo gaat het altijd,' zei Louth, die nog wat brandewijn inschonk hoewel zijn gezicht rood was van wat hij al had genuttigd. 'Denk er verder maar niet over na.'

Thoresby sloot zijn ogen en was al dat ijdele gespeculeer moe. Hij wilde graag wat meer over die dode non weten, maar wat schoot hij daarmee op? Ze was dood, begraven. Zijn vingers tikten ongeduldig op het ritme van een gestaag druppelend nieuw lek achter hem, vlak bij het raam. De onheilspellende pijn in zijn botten kwam misschien wel gewoon door de regen en zijn te hoge leeftijd.

De gevleugelde non

© Candace Robb 1995